m ïf
mww
|
f"; L |
li^.f M 1
.fe-, .^■
;¥ "W
n- M:.. jr
^», * »l'^^V'
^:..i
V*». "i- »
^»' •>..
ir^
IarborI
. Presented to the
LIBRARY of the
UNIVERSITY OF TORONTO
by the
INSTITUTE FOR
CHRISTIAN STUDIES
i
-fe
'. ONTAKIO, ^•'
*?-Q
Ol 1 I
(
I t .1 « '* «
.'.•.V,
r r 1 I 1 r t 1,1
I
/ •;
v^-^-r \,
|
: ™.j^" _i^ . JW J^^^^H |
|
|
^^H |
|
|
s^^l |
■ |
^ «I
« «
4 '♦
M E E N E IJK E
E N I S,
üf"-*
^^*.£*
#«
# 'f
^v.y
#jW
»• ** ■
f
. r
r
I 1 T
T
^.A
lè. ■#■■*
*-4:-'^'^J^M
A L G
M E E N E
KERKELIJK E
<ÏESC][IEDENIS,
DER
CHRSTENEN.
V
<,« »_i i.i I 1 i I I I i
« { 4
X
V »
tv
T It
ENE
i
AM
"*lil€
.* >,
ALGEMEENE
KERKELIJKE
<]^ESCHIEDENIS,
DER
CHRISTENEN.
1 1t
WJ
A L G E M E E
K E R I E L I J K E
<i E S C Hl E D E N I S,
DER
C H R I> T E N E N.
I
# m
^ M
>
I
ALGEMEENE
KERKELIJKE
^GESCHIEDENIS,
DER
CHRISTENEN.
, , .VdW
ijl É • 1 «ijiSVi m 1 W • JL« » «!i 1 1 • 1 ■ • 1 ■ W
'ir' *^-*
^^^;£,'.'
s?
I
J
*.». »-ll
|
j^H^^^^^^B^^jal ] |
1 |
|
■♦ir Ir ♦ .V |
Cl
p-
»*
^ <» 'iriOK-ir^-i
.^ ^. .«^
ï . ■ *
1. 1
•« «« « 4f %i
ALGEMEENE
KERKELIJKE
GESCHIEDENIS,
DER
CHRISTENEN,
DOOR
IJSBRAND VAN IIAMELSVELD.
N E G E N D jü; ,D,E E I,,.
MET I'LAATEN.
•*•
TE HAARLEM D IJ
F R A N r; O I S B o H N,
I\l D C C C I V.
>? >
4 t
M %
* *.
• '•
fi^JL
*.#
jy^i^i^
ALGEMEENE KERKELIJKE
GESCHIEDENIS,
DER
CHRISTENEN,
DOOR
IJSBRAND VAN. HAMELS VELD.
NEGENDE D.E E L,
MET PLAATEN.
*
TE HAARLEM B IJ
F Pv A N g O I S B o H N,
M D C C C I V,
.>'.V.'
• • i ' I • n
e t 1
r t
V-
*^ #•
. ■' A.
% ^
«_.*.,
*:*
< J» ^ <
# V
^
algemeejve
KERKE L:J\£
GESCHIEDENIS^
DER
CHRISTINEN,
DOOR
IJSBRAND VA N mMELS VELL
NEGEND ED.E E U
MET PL A A EN.
^
J^ ,•
1 .*!* ■>.»«.
•1^
TEHAARLEVI BIJ
FRANgOIS BOHN,
M D C C C !V,
.wy.
'iVr'
I
'.i t ■
i II ' f •
f i r I
£ t t II
* »
1 •
t-^lk Ik
*■• ^ B '
'it».*
^^''V^
*
^ *
üti!
I
V
«
I
► r
> ■ SVV
w
(
/m2 71897 j
INHOUD
VAN HET
NEGENDE DEEL.
DERDE BOEK.
Bevattende het derde tijdperk; van de regeerJiig van den Keizer KONSTANTYN den Grooten, in het begin der vierde eeuw, tot de opkomst van Mohammed, in de zevende eeuw.
VERVOLG VAN HET ACHTSTE HOOFDSTUK.
Mn.nicheën, Priscillianisten , Donatisten, Ariii- ncn , Apollinaristcn , enz. Bijzonderheden
* van
mmmi^.
"iViV.'
r
INHOUD.
van ATIIANASIUS , IIILARIUS , CllZ. GRE-
GORius van Nysfa , ambrosius , enz. Bladz. i.
NEGENDE HOOFDSTUK.
Pclagiiianfchc Twisten. Bijzonderheden van het leven, de gevoelens, en fclirilten . van
AUGUSTINUS.
Bladz. 128.
Dl
^ k
"«■*
'#;fi
KEPv-
^: w
VB
4 ^
4 "f
* m 'M '^
«f.
K E R K E L IJ K E
GESCHIEDENIS.
f
D E Pv D E 15 O E K.
BEVATTENDE HET DERÜR TYüPERIv ; VAN DC REGEERING VAN DEN KEIZKR. KONSTANTYN DEN GROOTEN, IN HET HEHIN DER VIERDE EEUW, TOT DE Ol'KOIMST VAN MOHAM- MED, IN DE ZEVENDE EEUW.
VERVOLG VAN HET ACHTSTE HOOFDSTUK.
Mankhe'ên , PriscUUtiiiisten , Donathte.n , ylriiinen ,
yJpoUïnaristen enz. Bijzonderheden van Atliaiia-
lius, llilariiis, enz. Grcgorius van Nysjh ,
Aiiibrofius , cuz.
ijREGORius , Bisfcliop vaii Nysfa , c'cn vcrtroiiwil \\i vriend van gregorhts van Nazianzus ^ en Broe- ^^'^'"^ der van basilius den Grooten ^ hoewel lilj zoo J^ccr Uoofdf^. niet bij zijne tijdgenoten bewonderd i.s geworden , na C. G. als zijn Vriend en Broeder , en ook zijn invloed op }^^ ^ J^'
KER-
den (laat der Kerk niet zoo kraciitig geweest is,
kan echter van den Kerkelijken Cerchiedlchrijver niet l^'j^on-
derhec'.'-a IX. Deel. A un-
-t^A
# V
UV
%' %
^ ^ <r.
X
nm
INHOUD.
van ATIIANASIUS, IIILARIUS , CllZ. CRE-
GORius van Nysfa , ambrosius , enz. Bladz, i.
NEGENDE HOOFDSTUK.
Pclagirianfche Twisten. Bijzonderheden van het leven, de gevoelens, en fchrii'ten . van AUGUSTINUS. , . , . Bladz. 1128.
KEPv-
K E R K E L IJ K E
GESCHIEDENIS.
DERDE BOEK.
BEVATTENDE HET DERDE TYDPERK ; VAN DE REGEERING VAN DEN KEIZER KONSTANTYN DEN GROOTEN, IN HET BEGIN DER VIERDE EEUW, TOT DE OPKOMST VAN MOHAM- MED, IN DE ZEVENDE EEUW.
VERVOLG VAN HET A C H T S 1' E HOOFDSTUK.
Mafiiche'én , Priscillianhten , Donatisten , ^r ionen ,
^poUinaristeit enz. Bijzonderheden van Athana-
lius, Hilarius, enz. Gregorius van Nysfa ^
Ambrofius , enz.
(jTREGORius , Bisfchop vaii Nysfa , een vertrouwd m
vriend van gregorius van Nazianzus . en Broe- ^^ek
VIII der van basiliüs den Grooten ^ hoewel hij zoo z<^^^ y{oo^è(\,
niet bij zijne tijdgenoten bewonderd is geworden , na C. G,
als zijn Vriend en Broeder , en ook zijn invloed op ^^^ \^A*
den flaat der Kerk niet zoo krachtig geweest is , - ■ ■
kan echter van den Kerkelijken Gefchiedfchrijver niet Bijzon-
derhecsa IX. Deel. A on-
* È
.1
f
■»%i
1'
i/ï/
2
K E RK E L IJ K E
III
BOEIC Vlll
Hoofdft. na C. G.
Jaar 363. tot 476.
van GRE-
GORrus
vanNysfa
Was ge- trouwd , maar toch nader- hand een aanprijzer van den ongehuw- den ftaat.
ongemerkt voorbijgcgm worden, al ware het enkel wegens fommige hoe^ nigheden , welke hem van zij- nen Vriend en Broeir ondericheidden , met welke hij anders , inzonde, eid tegen de Arianen , voor het KathoUjk Gcloof^eijverd heeft.
Deze , jonger Br der van basilius den Groo- ten ( * ) , aanfcli iwde het eerfte levenslicht , in het jaar 331, l kort daar na, waarfchijn- lijk te Cafarea in jippaciocië, en genoot, hoewel de herichten zwijger waarfcliikjjj^^e gelijke ge- leerde opvoeding al zijn ^^^^^^H van zijne
gctu:
kundigheden vertoonde ziel; fchen de bei- reld in den
GORIUS h
doen. van 60 c der de B volgd
GORIUS, GORIUS
verbond ambt bij van Na
t
i
m f
>
1
I^M 'm
4 «
« •
- /ïcf enkï •"■ welke
'T, lïOÊffel
- »^f-
er
\
GE SC IJ IE IE N I S. 3
den naam van Zuster van r i^gorius geeft, be- wijst niet, dat deze, in zijn j criiarünibt, zich van ^^^\ zijne vrouw zal onthouden hoen, alzoo deze naam Hoofd/t.
van Zuster in het gemeen aan ille Christen vrouwen "^ C. G, gegeven werd , ook ontbrak h ten dezen tijde nog ^^^ J^^*
niet aan voorbeelden van Geetjiijkcn , die bij hunne
Vrouwen kinderen verwekt hcben. In zijne laater jaaren veranderde gregorius , nedegefleept door het voorbeeld van zijne vrienden en den flroom van zijnen leeftijd, omtrent dit flr, van gevoelen; en prees hij zelf den Maagdelijk Staat ijverig en niet zelden onbedachtzaam aan (*) ja hij beklaagde zich zelven , dat liij in de volmaal icid zoo ver achter ftond (f). Zoo verhaalde hiook als Bisfchop aan zijne Gemeente (§)» tiat bijvoor zijne ligtzinnig- heid en onverfchilligheid , weh hij, in zijne jeugd, ten aanzien van de vereering an zekere Martelaren begaan had , door eencn reeslijken droom ge- flraft, maar ook te gelijk bek.rd is geworden. Als zijne Moeder hem tot de jagtigheid, met welke men de beenderen der gemeie Martelaren in eene Kerk zou bijzetten, genodigd lad, nam hij het haar kwalijk , dat zij hem zijne bezigheden door eene lange reize had laten afbrekei Terwijl dus de an- leren den nacht vóór de pleiigheid ter eere dezer fartclaren met zingen in eecn hof doorbrachten,
(liep
'*) Zie Deeim. BI. 17. f) De Firginitate C. 3. 7 III. O pp. p. Ii6. fq. ", ) Orat. in XL. MartyresTom. II. Opp. pag. 2ia« ', Deel VI. niadz. 173.
A a
^J^Jk
v%^-?
Sr*''*'
^
«C.' %K
ft KERK EL IJ KE
III ongemerkt voorbiigcgaan worden, al ware het enkel BOEK vvcüens fommige hoedanigheden , welke hem van zii-
Vlll ö o ^ J
Hoofdrt. ncn Vriend en Broeder ondcrfcheidden , met welke na C. G. ]iij anders , inzonderheid tegen de Arianen , voor ]17 4'i ^^'^^ KathoUjk Geloof geijverd heeft.
'— Deze, jonger Broeder van basilius den Groo- vnncRE- f^fj ( * ) , aanfchouwde het eerlle levenslicht , vanNysfairi het jaar 331, of kort daar na, waarfchijn- lijk te Cafarsa 'm Kappadociê^ en genoot, hoewel tromvd' de berichten zwijgen , waarfchijnlijk eene gelijke ge- mnartuch leerde opvoeding als zijn Broeder, waar van zijne bandeen kundigheden getuigenis dragen. Al vroeg echter annprijzer vertoonde zich het onderfcheid van neigingen tus-
van den fj^j^gri de beide Broeders; terwijl BASILIUS de VVe-
ongchuw-
den ftaat. rdd in den Monnikenlland ontvlood , geloofde gre-
coRius haar buiten denzelven meer dienst te zullen doen. Hier aan Iaat ons het bcflisfend getuigenis van 6OCRATES (t) niet toe te twijfelen, dat, on- der de Broeders van basilius , petrus hem nage- volgd hebbe in Monniken- Godzaligheid, maar gre- GORiusJn de Welfprckendheid. Ook trouwde gre- GORius met eene theosebia , . met welke hij nog verbonden was , toen hij reeds het openbaar Leeriiar- ambt bij de Gemeente bekleedde, waarom gregorius van Nazianzus , toen hij hem over hare dood ver- troostte , haar de Vrouw van eenen Priester noemt (§); d^t voorts dezelfde gregorius haar
den
(♦) Zio VIII Deel, Bladz. i\i. (t) Hitt. Eccles. Libr. IV. Cap. c6. ( § ) Ep. XCV. T. I. Opp. p. 84Ó.
G E S C IJ I E D E NM S. 3
den n.iam van Zuster van gregorius gccTt, be- III wijst niet, dat deze, in zijn Lccriiaiiiuibt, zich van 1^"':'^ zijne vrouw zal onthouden hebben, alzoo deze naam Hoofdll. van Zuster in het gemeen aan alle Cliristen vrouwen "^ C. G. gegeven werd , ook ontbrak het ten dezen tijde nog [^^ 'l\ niet aan voorbeelden van Geestelijken , die bij hunne — — Vrouwen kinderen verwekt hebben. In zijne laater jaaren veranderde gregorius, medegefloept door het voorbeeld van zijne vrienden, en den ftroom van zijnen leeftijd, omtrent dit fluk, van gevoelen; en prees hij zelf den Maagdelijken Staat ijverig en niet zelden onbedachtzaam aan (*) , ja hij beklaagde zich zelven , dat hij in de volmaaktheid zoo ver achter flond (f). Zoo verliaalde hij ook als Bisfchop aan zijne Gemeente CS)i f^'it hij voor zijne ligtzinnig- heid en onverfchilligheid , welke hij, in zijne jeugd, ten aanzien van de verëering van zekere Martelaren begaan had , door eencn vreeslijken droom ge- ftraft, maar ook te gelijk bekeerd is geworden. Als zijne Moeder hem tot de plegtigheid, met welke men de beenderen der gemelde Martelaren in eene Kerk zou bijzetten, genodigd had, nam hij het haar kwalijk , dat zij hem zijne bezigheden door eene lange reize had laten afbreken. Terwijl, dus de an- deren den nacht voor de plegiigheid ter eere dezer Martelaren met zingen in eenen hof doorbrachten,
fliep
(*) Zie Deel VI. BI. 17.
(t) De Firginiiate C. 3. T. III. Of)p. p. Il6. fq, (§) Orat. in XL. ]\Iartyrcs Tom. II. Opp. pag. 21 2. Vergel. Deel VI. Bladz. 173.
A a
r ^ ^* ^ f 1
l'..)»'
Tins^y
KERK
III ongemerkt voorbijgegaan orden.
BOEK Vlll
Hoofda.
na C. G.
Janr 363. tot 47Ö.
vancRE-
CORIUS
vanNysfa
Was ge- trouwd , maartuch nader- hand een annprijzcr van di(i\\ ongehuw- den Haat.
wegens foiiimige lioedanit aden nen Vriend en Broeder idcrfch hij anders , Inzonderlieic] tegen het KathoUjk Geloof gcij ird hee: Deze, jonger Brocdei van B: ten ( * ) , aanfchouvv het i in het jaar 331, of ort d lijk te Cafarea 'm Kapjiocïè^ de berichten zwijgen, \ irfchij! leerde opvoeding als Zj Broe kundigheden getuigenis dragen vertoonde zich het on rfcheid! fchen de beide Broeder terwii rcld in den Monnikenll.d ont GORius haar buiten dei elven doen. Hier aan laat is het] van 6OCRATES (f) ni( toe ti der de Broeders van b ulius vülgd hebbe in Monniln-G GORIUS jn de Welfprel iidhei GORIUS met eene thosebi verbonden was, toen Ij reedi ambt bij de Gemeente eklee van Nazianzus , toen lij hc troostte , haar de '^rou noemt (§); d?t vocts de;
(*) Zie VIII Bed.Vaih: (t) Hiit. Eccles. lii. IV. (§) Ep. XCV. r. l.Opp.
.•_■
I I
t «
-V.
« 1t
vMr
:ht,
«wel
ö^f-
C E S C H |i
den naam \'an 2*.^' «~
wijst niet, dat zijne vrouw 1^ van IvisB! s ie. gegëvai vaif m
Vrouwm jaaiea vooiid^ zijoea
prfes Ssf" zeldeo cês:: zêIfct. —
briik,
fe ■ -
fes ic3 ug^ ^
4-6.
111
int lat
de ^edec
ff '€
Ver '^"^
'. »
1
k
1 1 MM-M •
1 rji*Ci i
•A^
1
«~1
IjOAJ i I
«Cl 1.1 11
ijl «'iji'! ._-^-,i^i 1 1 f
11-1 I I f
4
KERKELIT E
m
ïi2i>.ig
ótf iüj, toen hï» ^ssm, cji(»oic cCD* hoop irMztsn brc iü>
Hier «üde
Ij
COC 476. ea bsoMU de ld», in wdke d«
• ka b^gen, met zgne txaoen, oia ^
^^Btcisfai irergeving te exfangen. If Ia ^^ jcwagc jasiës, voeJd
^'-'^'*-' dnö tot zjoodasagt vroome C
r'^f,:. zdSs met tot den liaod van
$'--■ zidi edtter fdapt roofbereid ■
Wti3?'*- ''^^ *^ F'y/rl(:z/ir ^ msa weet
vtTikt, ea ;
de W^Rlcendoeid. L^e^t fi^p
^€ san z^nen vriend c
bem óeswe^EM flreng V. - - ' "
V ^yaa^fcl«JPigk bracht <kze b
^"^"^^ tot de loopbaan u-r Wam, fchoon het pen bg daar toe z. m n, d:
fvent bet jaar 372, vp is
y^ , oene mMHms:^ tot teosA Brief van '/4r)f:n liroeüer fcen Ct). Dexe v , dat
der volfiiekt heeft mr/am t^ vra^rc'ivfbfld aan te nenasn^ 2^t vtóikzm^^ volgends de c
O £//ï/. XLIU. pag. 8-54..
s geene
c welken li$
i. Hg wat
Ge-
Tziens
.im in •: ■ -X»-
hem weder ren had*
, om-
1 van Np-
tjat
te bil.
Broe-
j
XL.
QyK
I f
bimmÊ
'Mii
1
w
u
-te
ia: Ge-
-ai
ar, ••
GE SC HIEDENIS.
djd, v>:r : zelf hem ir. : van hem ' - ker Bisdom v::i dat hl), naar de . kleine plaaü Men kan zich op
zoo BASILIUS Cl
had, om zich :v ten einde hen: ~ dergeTcbovQie £n fchreven bad berispte , da: ^ door anderen !:-. het vervolg. SAsmus gc\
GREGORIUS
veigaddriEgc-*: :=; wg daarömr wikie hg bem c : toen de Oos: ftaat van h- Westedingen in Keikd^e dan een vlci'c: hooger gaesi:
C^ Efisf. C V
5
, c^ r:;T
g, en geai k ker-^, c^ h:j JU ^cbbe (*> BASiLics c-ordcddê *5!^ zËne gaven eai veei aizaenl^ K.>;;i.l:. aI hadden, wasa voegt 'er bB, es C. G. TvooQte van grooce mannen , eeae ^ 2-^ e giooee waaide viafa^a:» zoik -^-^ ir oordeel te meer vsTtoen, al- gen tgd te vowaï ledm gdiad zijnen Broeder te b^h^en, die, z^ien Oom te vcizoaien, oa- en in deszei& naam aan hem ge« Het gene easüjus toai in boa zVr.t eenvoudige goedbaitigheïd kten misömfken, kan ook, in . gebrrfi gebleven zgn. Want p eene aadeie {daats (**}» ^ 2: zich liet vedeiiea, omKeik- ■ hem te tóe^ea; zoEider dat meer wetea te zeggen. Ook naa Rüme gez£»idai hebben, : hoppen, hg den v^ward^t zneentsn, eenige hulp van de :en wüdeit; omdat ^2 Bnoedes nërvaren, en ook niets mfodex die dus bg eeaen Btsfchop van :a uitvoeren (fj^.
G3LL-
P^- 345- H^' 192.
t) £/. CCXV. p.
*w
* M •
l
ip m
4 KERKELIJKE
ïïï flicp liij Iiecl genist in een naburig huis. Hier
"°I^ droomde hij, dat liij, toen hij in den tuin wilde
Hoofdft. gaan, door een' hoop foldatcn bijlvans doodgcflagen
m C. G. ^ygj-j. bij het ontwaken beweende hij zijnen misflag,
tot 'I76. en benatte de kist , in welke de gemelde overblijfzc-
■ len lagen, met zijne tranen, om bij God en deze
Martelaren vergeving te erlangen.
Hij wordt In ^ijne jonge jaaren, voelde gregorius geene
Vcoi-le- (jrifj- tot zoodanige vroome Godsdienftigheden , ja
vervor^'^ zelfs niet tot den fland van Leeraar, tot welken hij
gensLeer- zich echter fchijnt voorbereid te hebben. Hij was
We'lfpr'e"- ^^^^^ ^^^ Foor lezer ^ men weet niet, bij welke Ge-
kendheid. meente , aangeftcld , toen hij dit ambt onverziens
verliet , en jonge lieden onderwijs begon te geven in
de Welfprekendheid. Deze flap mishaagde groot-
lijks aan zijnen vriend gregorius van Nysfa^ die
hem deswegens ftreng bcflrafte (*).
Hij wordt Waarfchijnlijk bracht deze beftrafling hem weder
Bisfchop ^ ^. ^g loopbaan terug, welke hij verlaten had.
van Nyslh ^ , ,
Want, fchoon het niet bekend is, langs welke trap- pen hij daar toe geklommen is, dat hij echter, om- trent het jaar 372, Bisfchop is geworden van Nys- fa^ e^ne middelmatige ftad van Kappadoci'é ^ fchijnt uit eenen Brief van zijnen Broeder easilius te blij- ken (t)« Deze verhaalt ook, dat men zijnen Broe- <ler voUlrekt heeft moeten noodzaken , om deze waardiglicid aan te nemen; ondertusfchen houdt hij zijne verkiezing, volgends de denkwijze van zijnen
tijd,
(*) ElHit. XLIII. pag. 804.
(t) CAS. M. Ep. XCVIII. T. III. Oi>p, p. 193.
GESCHIEDENIS. 5
tijd, voor rechtmatig, en geeft te kennen, dat hij iU zelf hem in-^cwijd hebbe (*). basilius oordeelde ^P^'f van hem (f), dat zijne gaven een veel aanzienlij- Hoofd/I. ker Bisdom verdiend hadden , maar voegt 'er bij , "^ C* ^ dat hij, naar de gewoonte van grootc mannen, eene Jót 1-6. kleine plaats tot eene groote waarde verheflen zou. — — — Men kan zich op dit oordcel te meer verlaten , al- zoo BASILIUS cenigcn tijd te vooren reden gehad had, om zich over zijnen Broeder te beklagen, die, ten einde hem met zijnen Oom te verzoenen, on- dergefchovene Brieven in deszelfs naam aan hem ge- fchreven had (§). Ilct gene basilius toen in hem berispte , dat hij zijne eenvoudige goedhartigheid door anderen had laten misbruiken , kan ook , in het vervolg, zijn hoofdgebrek gebleven zijn. Want BASILIUS gewaagt, op eene andere plaats (**), dat GRXGORius van Nysfa zich liet verleiden, om Kerk- vergaderingen tegen hem te beleggen; zonder dat wij daaromtrent iet meer weten te zeggen. Ook wilde hij hem niet naa Rowe gezonden hebben, toen de Oosterfche Bisfchoppen, bij den verwarden ftaat van hunne Gemeenten , eenige hulp van de Westerlingen verzoeken wilden; omdat zijn Broeder in Kerkelijke zaken onervaren, en ook niets minder dan een vleijer was, die dus bij cencn Bisfchop van hooger geest niets zou uitvoeren (ff).
GRE-
(*) Epist. CCXXV. pag. 345. Ct) Epist. XCVin. pag. 192. (§) Zie Dee/VlU. Bladz. 2^2, (•*) Ep. C. p. 196. (tt) f^p. CCXV. p. 223.
A3
6 KERKELIJKE
III GRECORius was, op ecncii tijd, Bisfchop gcwor-
Bor.K jjj^jj wanneer de ylrianen den KathoUikcn lieten VIII Iloofdft. voelen, dat zij aan het Huf van valens de over-
na C. G. hand hadden, basilius had reeds, door hun toe- Jaar 363. ^ ffcleden , maar ook grecorius trof de ver- tot 476. ' ° ' . volging, kort na het aanvaarden van zijn ambt,
GREGORi- zoodat hij zelfs genoodzaakt was , zijn Vaderland te vervolgd verlaten (*). Maar op het einde des jaars 375, door de werd hij, op bevel van demosthenes, Vicarius Anancn. ^^^^ Pouius , gevangen genomen. Zekere philo- ciiARES was zijn befchiildiger , die hem , naar het fchijnt, over een kwaad beftuur der Kerkengelden , had aangeklaagd. Maar gregorius, die van eene hevige ziekte werd aangetast, en van zijne wachters geen medelijden te wachten zag, Tedde zich door de vlucht uit hunne handen. Zijn Broeder basilius fchreef toen, in naam van alle Bisfchoppen van Kappadoci'è ^ wier Metropolitaan hij was, aan den Bevelhebber , om dien te verzoeken , dat hij het daar door ontflaane uitftel van deze zaak niet kwa- lijk neemen mogt (f). Het baatte gregorius van N'jsfa niets, dat de Bisfchoppen van Kappndocie voor hem tusfchcngetreden waren, demosthenes, die van basilius niet alleen als een vriend der Arïanen^ maar ook als een onwetend en geweldig man, befchreven wordt, liet, in het jaar 376, te K-^ifa zelve eenc Kerkvergadering van Bisfchoppen uit Galr.ti'é en Pontus houden, op welke waarfchijn-
lijk (*) GRF.G. Nysf. de Fita S. Maciiiue 7. II. />. 188. (; \ ) Epist. CCXXV. pag. 344.
GESCHIEDENIS. 7
lijk het lot van gregorius bcflist werd (*), alzoo III GREGORius volkomen uit zijn Bisdom verdreven ^51":^ werd, Iictwelk aan iemand werd opgedragen, wien f joofdft. zijn Broeder cenen ondeugenden Ariaaufchen flaaf na C. G. noemt (f). Men kan ook bijna uit cene plaats -^'^^ ^^]
van GREGORIUS (§) befluiten, dat hem de balling
fchap door een bijzonder bevel des Keizers is aan- gezegd geworden. Als hij zich voornaamlijk daar over beklaagde, dat de Ketters in zijne Gemeente de overhand zouden nemen, vertroostte hem zijn vriend, gregorius van Nazianzus ^ daar mede, dat , alhoewel zij , gelijk de flangen , volgends zijne eigene vergelijking, in vertrouwen op de lente, uit hunne holen mogten vooitkomen , zij evenwel (lechts een' koiten tijd fchuifelen , en dan , door de waarheid en den tijd overwonnen , weder in • ^q.\\ grond krui- pen zouden (**).
Dit gebeurde ook korten tijd daar na; ten minflen Hij worde de wederwaardigheden van gregorius van' JSJysfa herf^<-'W. namen, met de dood van Keizer valens, in het jaar 378 , een einde. Doch in het volgende jaar trof hem de fmart wegens het overlijden van zijnen Broeder basilius zeer. Dezen had hij zoo zeer ge- ëerd, als bemind; hij hield ook over hem cene lof- reden Ctt)} vvaar van het flot het best mag ge- noemd
(*) BAsiL. Epht. CCXXXVII. pag. 365.
(t) BAsiL. Epht. CCXXXIX. />/7^. 367.
(§) Z)(? Vita S. Macriiite p. 192. /. c.
(**) GREG. Naz. Epht. XXXV. p. j^q.
(tt) Oratio in latidem fratm Bafüii 7. II. p. 479-498.
A4
/j
g K E R K E L ÏJ K E
III nocmd worden, daar hij zijne Toehorers vermaant,
BoF.K Qn^ ^\^ gedaclitenis van zijnen Drocder niet door lof-
Hoofdft. fpi'^'^cn, inaar door het navolgen zijner deugden en
nn C. G. goetle hoedanigheden te verëeren.
Jaar 363. jj^ ^-^^ - ->, bezocht gregorius de Kerkver-
lOt 476. j 01 y . r j ■
. gadering te Aniiöchië, op wellve men mislchicn
Dood van yo^j. y,ct bijleggen der Meletiaanfche verfchillen ,
Broeder n^^'*^^* ^'^^^^^ ^'"^^^ ^^^^ handhaaven van het Katholijk B^siLiüs Geloof in het Oosten, door de belluitcn van 160 f,".5'^!l'^^'" aanwezende Bisfchoppen, onder voorzittiiig van me- LETius, Bisfchop van Antiöchi'è^ zorgde (*). Na het eindigen dezer Sijnode, deed hij eene reize naa Ponttis , tot zijne Zuster macrina , welke de oud- fle was van alle hare Broeders en Zusters, en bo- ven hen allen ook iiitftak in Askettfche Godzalig- heid, gelijk zij daar ook haren Broeder easilius ten Iterkften toe had aangcfpoord ( f ). gregorius vond haar flervcnde; hare laatfle redenen, haar voorbeeld en dood, fchijnen op hem eenen verba- zenden indruk gemaakt te hebben. Ook befchreef hij kort daar na haar leven, als een voorbeeld van heiligheid, in eenen Brief aan den Monnik olym- pius (S), vvaar in hij haar ook een wonderdoend vermogen toekent. Züne rei- Door de gemelde Kerkvergadering of wel door de
zennje- aigenicene Kerkvergadering \:m Konjïamwopokn ^\\qx.- rufaicm. ,,
(*) GRF.GOR, Njif. de J'ita S, Macrina png, 187. DALUZ. Noya Collect. Concil. Tom. I. p. 78. (t) Zie Deel VIII. Bladz. 117. (§) nta S. Macrin.e T. II. Opp. p, 177-204..
GESCHIEDENIS. 9
welk onzeker is, gclastigd, om den (laat der Kcr- III ken in Arabi'è op te nemen , kwam hij in het jaar ^^-^^ 380 of 381 te J'erufalem^ alwaar hij de zoogenaam- Hoofdft. de heilige plaatzen , Bethkhem , Golgotha , den "» C. G, Olyfberg^ en de plaats der Opjianding^ alwaar \^^ \^^ overiil Kerken en Kapellen gebouwd waren, met .^
bijzondere vreugde bcfchouwde ( * }. Doch tevens verzekert hij, dat zijn geloof daar door verminderd noch venneerderd was (f). Veel meer gaf hij kort daar na, in zijnen vermaarden Brief over de Bede- vaardreizigers naa yerufalem ( § ) , aan dénen zij- ner vrienden te kennen, dat foortgelijke Godvruch- tige reizen door den Zaligmaker niet alleen niet gebo- den, maar dat zij ook, uit hoofde van de Zeden- loosheid, in die Gewesten heerfchendc, fchadelijk waren (♦♦). Te Jerufalem werd gregorius zelfs in moeilijkheden ingewikkeld. Hier waren twistzieke geesten, die zelfs hem, die vrede zocht te (lichten, niet verfchoonden , en ook anderen , door allerhande vragen en bedenkingen , tot hunne partij zochten over te haaien; hij geeft daar van zelf eenig maar zeer duider bericht , in eenen Brief aan drie van zij- ne vriendinnen te Jertifalem (ff), welke daarom merkwaardig is, omdat hij in denzelven zijne ge-
voe-
(*) Epiit. ad Rujlath. Tom. III. Opp. p. 6sS* (t) Z)^ euutib. Ilierofol. pag. 58(5. (§) Toni. III. Opp. pag. 651-654. (**) Zie Deel VI. Bladz. 205.
(ft) Epi stola ad Euftathiam , Amhrofiam et Ba{iU%' fam Tom. III. Opp. pag. 6<)$-666.
As
10 KERKELIJKE
in voclcns over deze en gene leerflukken voordraagt. BOEK 2,iq\^ beklagende , dat aldaar zoo veel vijaiidfchap Hoofdfl. pl''^"^-^ '^^'^ » 2egt hij , de vijanden van God , Joo- nn C. G. den , Afgodsdienaars , en /Iriaimi , moet men altijd ^^ ^,5' haaten ; die haat is God aangenaam ; maar welke m verfliandige reden kan 'er zijn, tot twist met die ge-
nen, die den Vader, Zoon, en Heiligen Geest, op dezelfde wijze, aanbidden, en die in de onvermeng- de, maar onderfcheidene Heilige Drieheid, één We- zen, Heerlijkheid en Magt, gelooven? Vervolgends verklaart hij zich over dit Icerftuk vollediger, isaak CASAUBOxus heeft dezen Brief het eerst in het licht gegeven, ia het jaar löoó, te Parys in Octavo^ met vele geleerde en leerzame aanmerkingen, welke in de groote verzameling der werken van grego- Rius, in welke men den Brief insgelijks heeft inge- voegd, achter wege gelaten, en in plaats daar van de zoogenoemde verbeteiKle aanmerkingen van gres- SER gedrukt zijn geworden (*). Berichten Van dien tijd af begon gregorhts een veelfchrij- vnn zijnen ygj. ^q worden. Twee van zijne Boeken, welke hij PETRUS. "'"^^ ^^"S na liet jaar 379 fchijnt gefchreven te heb- ben, droeg hij op aan zijnen Broeder petrus, die, door hunne Zuster macrina opgevoed en geleid , een tijd lang Opziener was van een Monniken - Klooster in hare nabuuifcliap; maar die naderhand, omtrent liet jaar 380, Bisfchop geworden is van Sehaste 'm Armenië^ alwaar hij kort na het jaar 391 geflorven is. Aliioewel hij zoodanig onderwijs i\\
de (*) Touu III. Opp. in Anuott.pag. 79. fq.
GESCHIEDENIS. n
de vvctenfchappcn niet genoten had, als zijne bc- III
roemde Broeders, evenwel werd hij, wegens zijne, ^y^.^
door eigenen vlijt vcrkrcgene , kundigheden , als ook Hoofdfl.
wegens zijne (Irenge Godzaligheid en ijver voor de "•'' C. G.
zuiverheid der Christelijke Lcere , zeer hoog ge- Iq[ L^[
acht (♦;.
Het eerfte Boek , hetwelk gregorius aan zijnen ZijneBoe-
Broeder opdroeg, handelt van de vormine; of van '\':''''''^^
. j -i/r - j zijnen
de Schepping des Menjciien^ (^itz^i Kctrctaxiuv^ ccv- Broeder.
S-^w7r«) (f). In dit werk vult hij met alle be- fcheidenheid aan, het gene zijn Broeder basilius, die hij hunnen Vader en Leermeester noemt, in zij- ne verklaring van de Scheppings-Gefchiedenis, met betrekking tot de Schepping des Menfchen, onaan- geroerd gelaten had. In dit Boek is zijn gevoelen merkwaardig, dat de menfchen, indien zij niet ge- zondigd hadden, zich zonder huwlijk zouden voort- geplant hebben, hetwelk hij, met het voorbeeld der Engelen , opheldert , die zonder het huwlijk tot een oneindig getal vermenigvuldigd zijn. Een ander ge- fchrift, hetwelk gregorius insgelijks aan zijnen Broeder petrus heeft opgedragen, had hij op des- zelfs verlangen opgeficld, over de Scheppings-GC' fchiedenis ^ ( ttj^* tvi<: E|jd>;^g^y) (§). Hun Broe- der BASILIUS had daar over zijne vermaarde Kerkre-
de-
( * ) GREGORIUS Nysf. de Fita S. Blacrina: pag, l ?,6. £03. Ejusd. Epht. ad Flavian. Tom. lil. Opp. p. 645. '"•
THEODORET. Hist. Eccles. L. IV. C. 27. L. V. C. 8.
(t) Tom. I. Opp. pag. 44.- 138.
(5) Tom. I. Opp. pag. 1-43,
ia K E R K E L JJ K E
in dcncn gehouden (*), maar zich, dewijl hij fleches
BOEK onirelcerde Tochoorers had, naar dcrzelver vatbaar- VIJI Hoofdft ^'^'^^ moeten fchikkcn. grügorius fchrijft hier na- na C. G. derc bijvoegzelen en oefeningen , maar geenszins , ^^ _^* zegt hij, tegenfpraak tegen zijnen Broeder. — Ge- 1 wigtiger, en niet alleen het grootfl-e, maar tevens
het hoofdwerk van gregorius, tot welks voltoo- iing en bekendmaking zijn Broeder petrus hem insgelijks opfpoordc, zijn zijne XII Boeken tegen EUNOMius (t)? die hij omtrent het jaar 381 tot fland bracht. Het Verweer fchrift van dezen be- roemden Ariaan tegen de KathoUjken, was door EASiLius den Grooten , in een afzonderlijk Boek , wcderlegd geworden (§). IMaar hier tegen verant- woordde EUNOMIUS zich in een werk van vijf Boe- ken; van welken reeds het lezen van bet eerde Bock BASiLius van verdriet het leven kostte, zoo fchrijft de bewonderaar van eunomius, filostor- Gius (**). Een op zich zelf zeer onwaarfchijnlijk bericht, hetwelk fotius niet alleen in zijn uittrek- zel uit de Gefchiedenis van filostorgius eenen leu- gen noemt, maar waar van hij de onvi'aarheid el- ders ook zoekt te bewijzen (ff). Te weten, hi] verhaak (SS) 5 dat eunowius zijne, na vele jaarcn
eerst
(*) Zie Deel VIII. Blndz. 274.
(t) Tovi. II. Opp. pag. 284-064.
(5) Zie Deel VIII. Bladz. 229.
(**) Hist. Eccles. Lihr. VIII. Cap. 12.
(ft) Bihlioth. Cöd. CXXXVIII. />/7^. 313.
(SS) Coll. C«d. IV. V. pag. 8, 9.
GESCHIEDENIS. 13
terst afgewerkte verantwoording , zelfs aan zijne IIï aanliangeren niet ligt medegedeeld , maar ze , zoo ^;^^-^ lang BASiLius leefde, verborgen heeft gehouden, HoofdfL opdat zij niet door dezen terflond overhoop zou "^ C. G. geworpen worden ; maar na het overlijden van de- Jqj ^-5]
zen Bisfchop had hij dit werk eerst aan zijne vrien-
<len laten zien, hetwelk kort daar na ook in handen ^QV Katholijken raakte, en behalvcn door gregorius vanA^'V^, ook door theodorus, Bisfchop van^«- tiöchiê, ais ook door sophronius, in zijne naakt- heid ten toon gefield werd. Dus verhaalde elke partij van de hoofden der tegenpartij het flechtde, waarom noch de ééne noch de andere zoo geheel zonder oordeel des onderfcheids geloofd kan wor- den. Alleen dit is zeker, dat de wederlegging van gregorius alleen bewaard gebleven is. Met dit werk ftaat als eenc tn'eede afdeeling des XHBoeks (*) in verband de wederlegging, naar het fchijnt, van een ander werk van eunojiiüs. Van het een en ander kan men zeggen, dat het meer vermaard dan groot is. Stelt men zich naast hem in hetzelfde (landpunt, lüt hetwelk hij gefchrevcn heeft, dan vindt men de uitnemende toejuiching, waar mede het ontvangen is, niet onverwaclit , . noch onge- grond. Juist deze leerwijze, om voor het leerflel- zel der KathoUjken te flrijden , die vaardigheid , om hetzelve in zijne beflanddeclen te ontbinden , en den famcnhang in hetzelve aan te toonen; overiil gron- den voor hetzelve op te fpooren; gcdecliljjk met
nieu- (*) Png. 71:4-8(54. /. c.
14 K E R K E L IJ K E
III nieuwe, zo al niet betere, eclitor meer fchittcrcnde vm wapenen te kampen; geenen misflag van partij on- Hoofdft. gemerkt en ongedraft te laten; en dit alles in zulk na C. G. ccn verband van disputeerkunst met ecnen vvelbe- tot 4~6. i'pi'''i^''^tcn , vernuftigen en zegevierenden ftijl ; deze m leerwijze was voor eenen tijd , toen de beide par-
tijen van Katholijken en Arianen als het ware ftre- den, wie het flagveld behouden en meester blijven zou, treffend genoeg, en deed vele werking. Voor de nakomclingfchap heeft die zelfde bekwaamheid van GREGORius, in het ontvouwen en verdedigen van zijn leerftelzel , en menige goede en vrije aan- merking , maar voornaamlijk , dat zijn twistfchrift meermalen eene wijsgecrige wending neemt, wel eene leerftellige , maar zeker nog meer eene gefchied- kundige waarde. Doch deze zou ongelijk grootcr zijn , indien zich de Schrijver van vermoejende wijd- lopigheid en ontallijke herhalingen, en het laten doorflippen van goede gedachten, gewacht had. Het blijkt genoeg , dat hij niet zelden zijne partij te magtig is, maar daartegen hebben zij eikanderen, in meer dan (iiw opzicht, niets te verwijten. De ciün zoo wel als de ander flaat heel dikwijls den bal mis in de' uitlegging van Bijbelplaatzen , ja men zou, bij deze vergelijking, al ligt met sejiler's waarneming indemmen, dat men bij de Katholijken meermalen fleclite uitlegging van Schriftplaatzen ontmoet , dan bij de zoogcnoemde Kettcrfche Schrij- vers. Haatlijke gevolgtrekkingen , ondcrRcllingcn van het gene eerst diende bewezen te worden , ijde- le fpitsvinnigheden , en eene fpottende of zelfs
fchim-
GESCHIEDENIS. 15
fclninpende en hevige wijze van uitdrukkingen, ont- III moéten wij bij gregorius even zoo veel als bij eu- ^^Ji ^'OMIus enz. gregorius fcbijnt dit werk in het Hoofdfl. eerst in cenen veel bepaalderen omvang opc;cfl:eld, "^ C. G, maar naderhand tot dien vorm uitgebreid te heb- ^^^ ^7^] ben, waar in wij het nog bezitten. Want, fo- — — — Tius ( * ) had twee Boeken van dezen inhoud van hem gelezen , welke hij beiden wegens de fchoon- heid en bevalligheid van ftijl , maar ook , bijzonder het écne, wegens zijne uitmuntende gegrondheid, prijst; alhoewel hij erkent, dat de Schrijver euno- Biius juist niet naanwkcurig naar de orde af bcftrce- den heeft. Misfchien was dit ook dat kleine ge- fchrjft, hetwelk hij aan gregorius van Nazianzus en HiÜRONYMus , volgends getuigenis van dezen laatften (f)? heeft voorgelezen. Waarfchijnlijk is dit gebeurd bij gelegenheid der faraenkomst van de- ze drie vrienden , op de algemeene Kerkvergadering te Konftantinopolen ^ in het Jaar 381. Hier ten minden hield gregorius van Nysfa twee plcgtige Redenvoeringen ; de ééne, die niet meer voorhanden is, toen gregorius van Nazianzus tot Bisfchop van Konflantinopokn verkozen was CS)? ^^ andere bij de dood van meletius, Bi.sfchop van AntiÓ- chië^ die op gemelde Kerkvergadering het Voorzit- tcrfchap had waargenomen, en die door de Scheu- ring , welke naar hem den naam voert , beroemd is
ge-
(*) Biblioth. Cod. VI et VII. pag, 9.
Q\^ De Vivh llhtflr. Cap. 138.
(§) GREG. iV}'./. Or, in Mekt. p. 588. T. III. Opp,
i6 K E R K E L IJ K E
III gcwortlcn (*). Te vooren was reeds cene andere
PP':"^ Lofreden op meletius gehouden , met optelling
Xloüfdlt. van zijnen arbeid en lotgevallen; daarom blijft hij
na C. G. j"n de zijne meestal flechts bij algemecne affchilderin-
10^ 4-0! è^^ ^^^ grootheid van dit verlies , en bij Bijbelfche
. beelden (laan , welke hij op dezen Bisfchop toepast.
Welfprekendheid kan men hem in dezelve niet ont- zeggen, hoewel zijn vernuft fomtijds in plaatzen verbasterd, zoo als de volgende eene is: „ mele- 5, Tius had, als een navolger des Zaligmakers, de „ Joodfche AVaterkruiken , vol Kettersch Water, „ met zuiveren en onvervalschtcn Wijn gevuld , „ naardien hij door de kracht des Geloofs de Na- „ tuur veranderd had." Voorts rekent hij het ook tot vertroosting van zijne Tochoorers, dat men de ziveetdoeken van het aangezicht des overledenen Bis- fchops , tot ben'aaring der gelovigen , afgetrok- ken had. OFliijop- Het gene een Schrijver van de XlVde eeuw, ni- üelleris ^eborus (f), van gregorius meldt, dat hij het bijvoeg- merkwaardig bijvoegzei bij de Niceifche Geloofsbe- zel op de jjj^igfijs hebbe opgefteld, welke de Kerkvergadering Geloofs- van Ko7iflantinopolen heeft ingevoerd, is wel op belijdenis zichzelvc niet onwaarfcliijnlijk , maar wordt door hem alleen niet geloofwaardig. INIaar hier aan kan men minder twijfelen, dat de meermalen genoemde vergadering hem niet alleen de eere bewezen heeft,
om
(*) Orat. in Melet. l. c. p. S^'7'S9S' socRAT. L. V. f', 9. sozoM, L. VIL C. 10. (]•) Iliit, Eciies. Libr. XII. Cap. 13.
GESCHIEDENIS. 17
f>Tn zijn Kcrklijk Rechtsgebied te bcpaalen , maar III Iieni ook als een voorbeeld van rechtzinnigheid ^J:^^ boven anderen te onderfcheidcn ( * ). Welke verör- Houldll. <lening theodosius de Groote door eene bijzon- °^ C. G. dcrc wet bekrachtigde (f). l^' 263.
Waarfchijnlijk bleef greoorius, zedcrt het jaar
381, nog ccnigcn tijd in de Hoofdftad. Waarfchijn- ^-'J"*^'^^'"'" lijk was hij in de Kerkvergadering van Konftant'ino' richtin- pokn , van het jaar 3R2 , tegenwoordig ( § ). Trou- S^" te vvens, toen er, in het volgende jaar, eene nog ^j^Qp^je^ merkwaardiger Kerkvergadering van Bisfchoppen der voornaam ftc Kerklijke partijen te Konftantinopolen gehouden werd, ten einde ecnen vrede tiisfchen hen te bcwerkflelligen, was gregorius, benevens nec- TARius, Bisfchop van Konflantinopolen ^ aan het hoofd der KathoUjken. Men befluit dit, met recht, uit zekere gefchiedkundige omftandighcden , die in eene Redenvoering , naar allen fchijn door hem, om dezen tijd, aldaar gehouden, voorkomen; over de Godheid des Zoons en des Heiligen Geestes , en lof van den rechtvaardigen abraham (**). Geduuren- de zijn verblijf te Konftantinopolen ^ kreeg grego- • Rius ook aanleiding, om na het Jaar 381 zijn ge- fchrift tegen het noodlot (ff) op te fleUen. Hij had
po-
(*) socRAT. Hiit. Eccles. Libr, V. Cap. 8. sozom. Libr. VII. Cap. 9.
(t) Cod. Theod. Libr. XVI. /. i. de fideCathol. 1.3. ( § ) Zie Deel VIII. Biadz. 46. (**) Toifi. III. Opp. pag. 464-476. (ft) Tom. II. Opp. pag. 62-81. IX. Deel. B
iS K E R K E L IJ K E
lil pogingen gedaan, om eeneii geleerden Heiden tot BOEK jiej; Christendom over te brengen. Maar deze ant- Hoofdil. woordde hen ftccds, en poogde te bewijzen, dat na C. G. alle menschlijke handelingen en gebeurenisfen , zelfs tot 4.76. ^^ven en dood, van de noodzaaklijkheid des nood- - lots afhingen; dat het dus niet aan hem ftond, maar dat het alleenlijk aankwam op die onverandcr- lyke bepaaling, of hij van geloof veranderen zou. Het gefprek , hetwelk hij daar over met hem hield , befchreef hij naderhand , op begeerte van eenen Bis- fchop, bij gelegenheid der bekcering van eenen an- deren ouden en zeer verflandigen Heiden, welke hij bijkans voor onmogelijk gehouden had, in eenen Brief aan denzelven. De Heiden , met wien grego- Rius gcfproken had, leidde het onwcêrflaanlljk nood- lot af van de plaatzing der geftarnten; en beriep zich ten dien einde op de zekere uitrekening van toekomende gevallen , die op dezen zelfden grond rustte. Maar de Schrijver ftelde hem zulke tegen- werpingen uit de inrichting der natuur en des men- fchen tegen, die dit leerflelfel met ongerijmde ge- volgen overhoopten. Deze verhandeling is niet één der flechtften van dezen Schrijver. Toen in het jaar 385 de jonge Keizerlijke Princes pulcheria, en kort daar op derzelver Moeder, de Keizerin PLACCILLA , overleed ; hield cregorius , waar- fchijnlijk daar toe verzocht, twee Lijkredenen op dezelven te Konjiautinopolen ^ die in zijne werken
voorkomen (*).
Van
(*) Tom. III. O^p. pas. 514-523, 524-533.
G E S C II T E-D K N I S. 19
Vaii dezen tijd af wordt de Gdchiedeiiis van iir CREGORius fleeds armer in belangrijke gevallen , "^^^ maar dat zijne werkzaamheid gefiiadig even groot Hoofd (l. bleef, ziet men uit de menigte zijner fcliriften , "^ C. G. welke, behalven de reeds opgenoemde, nog voor- ^q^"^ ^^*
handen zij. Die tegen de Apollinaristen gericht
zijn , kunnen tusfchen de jaaren 380 en 390 zijn Yf p^*^® opgefteld, zoo als de toenmalige toeftand dezer ge-vaiiGiiE- zindte laat venuoeden. Immers, niettegenftaande gorius, het Keizerlijk bevel, hield zij toch na het jaar 3,'! 3 nog te Kon fl anti nopolen zelve haren Godsdienst; men weet ook, hoe misnoegd gregorius van Na- zianztis dcsvvegens was op nectarius, Bisfchop dier Hoofdilad, vriend van gregorius van Nys' y^ C*)? welke laatfte aan theofilus, die in het jaar 385 Bisfchop van Anti'óchi'é geworden was, eenen Brief afzond tegen apollinaris (f), tot welken hij eene bijzondere reden had. De yjpollina- risten befchuldigden de Katholijken^ dat velen van hen twee Zoonen Gods leerden, eenen van Natuur, en eenen anderen, die voor Zoon van God aange- nomen was. GREGORIUS vcrklaait niemand te ken- nen , die dit beweerd heeft ; maar ziet deze befchul- diging aan, als een middel, hetwelk pjirtijën ge- bruiken, om zich zelven te behelpen, waarom hij THEOFILUS opwekt, om zich tegen hen te verzet- ten. Hij fpreekt, bij deze gelegenheid, over de ▼erëeniging der beide Naturen , de Godlijke en
Mensch-
(*) Zie Deel VIII. Bladz. 321, 377.
(t) Tom. III. Opp. png. 261-268.
B a
\
ao K E R K- E L fj K E
ni Menschlijkc in jesus, breedvoeriger, doch fomtijds boc:k jjjgj. (ij(. uitdrukkingen ^ als of hij ccne vermenging Hoofdft. ^^ verandering der beide Naturen in christus ge- na C. G. loofde, op die wijze, welke naderhand in de Eu- tot 4.76 iy(^hi^^'^fif^^ Ketterij berispt is ; dit vinden wij — — — ook in fommige anderen van zijne fchriften, doch daartegen ontmoeten wij in dezelven weder andere plaatzen , dat hij ook in dit opzicht de Katholijke Lcere gevolgd hcbbe. Doch, zoo is het, hetzelfde woord, dezelfde uitdrukking, wordt bij oudere Kerk- leeriiarcn in eenen goeden zin fomtijds gebruikt, welke naderhand, bij ontflaanen twist over zeker Lcerftuk , bij Ketters gebruikt wordende , als dwa- ling wordt opgevat, omdat naamlijk dan de denk- beelden meer beftemd en bepaald zijn geworden (*). Een klein Brokfluk van een ander gefchrift van GREGORius tegen apollinaris ( f ) , behandelt deszelfs befchuldiging, dat de Katholijken de God- lijke Drieëenhcid in een viervoudig getal vervorm- den. Hetzelve fchijnt een fluk uit te maken van een gewigtiger werk van gregorius, zijnde eene wederlegging van apollinaris , ( hvn^'^^'liy.o? tt^ös- roe, ATToMvat^m , ) hetwelk laur. alex. zacagm uit een Handfchrift der Fatikaanfche Boekerij het eerst in het licht gebracht, en met eene Latijnfchc Overzetting voorzien heeft (§). Naar-
(*) CHR. AUG. SALiG cIc EutycJiianismo ante Eutycheu C. XX. pag. iy6.
(f) Fragm. Libri contra ApoUinar. T. II./». 4"f48. ( S ) In Coll. Momim. Fet. Eccl. Gr. et Lat. T. I. ƒ>. 123-287. Romte 1698. 4to.
GESCHIEDENIS. ai
Kaanlicn men den tijd niet naauwlceiiris hm be- III paaien, in welken de overige gefchriften van gre- ^^^'^^ coRius zijn opgefl-eld, zullen wij ze naar de gelijk- Hoofd f!, lieid v.m derzelver inhoud opnoemen. Sommigen "^ C. G. van dezelve zijn Bijbeherliaringen. Daar order [^^ .J*^^
behoort vooreerst zijn Boek over het leven van mo
SES ; of over het volmaakte leven naar de deugd (*), Vervolg. •Dit werk is vol vnn zeldzame en meestal armhartige ^Uegorifche en Myftifche uitleggingen en toepasfui- gen, door welken het goede, hetwelk 'er in mogt zijn, verduiderd en bedekt wordt. Insgelijks fchreef CriiEGORius, op begeerte van eenen vriend, een Boek over de opfchriften der Pfalmen ( f ). In het- zelve leidt hij uit deze opfchriften zcdenlijke en al- legorifche voortellingen af; geleerde oplielderingen van deze opfchriften, van de fpeeltuigen daar in ge- meld , en andere bijzonderheden , die voor den in- houd der Pfalmen zelven gewigtig zijn, zal men 'er vergeefs in zoeken; maar desniettemin moet men zich verwonderen , hoe een man , die met de oude Grieklche -Schrijvers en derzelver uitlegging niet on- bekend was, het heefi: kunnen wagen, om zulke invallende gedachten uit een Boek te haaien , waar van hij de taal niet verftond , indien men niet be- dacht , dat het reeds lang voor eenen pligt van Schriftuurverklaarers , en voor een bewijs van hunne fcheqozinnigheid gehouden werd, foortgelijke verbor- genheden in den Bijbel op te fpooren. Van dezelf- de
(*) Tom. I. Opp. pag. 16^-256.
(t) Tom. I. Opp. pag. 257-372.
Bs
m'^/A^fWr
^
II
A
KEPvKELiJKE
III de natuur zijn des Schrijvers acht Kerkredenen over *^^* ^^« Prediker van salomo , welken hij ook vol- Hoofda. g^"^ ^^ Alexandrynfche Overzetting, tot Hoofd/i, m C. G. III. 13. practicaal^ en ten dien einde, ook 'dikwijls to7 4.7 6 ^^^^i'^^^^<^^ verklaart (*> Den naam Prediker heeft . dit Boek, geüik gregorius gelooft, bij uitnemend-
heid , omdat het , door zijne voorfchriften , nuttiger voor de Kerk is, dan alle andere Bijbelboeken, mis- fchien ook naar den waaren Leeraar der Kerk , den Zoon van God. Opmerklijk is het, dat hij Cf), bij de woorden : Ik , Prediker , was Koning tt ^erufalem , deze woorden : Pf. II. 7. Gij zijt ir.ijn Zoon, heden heb ik u gegenereerd^ dus ver- klaart: „ De Vader der tijden zegt, dat hij den 5, Schepper van het Heel -al, heden gegenereerd „ heeft, om door dit tijdwoord bij den tijd der ge- 5, boorte aan te wijzen, dat 'er niet gefproken „ wordt van zijn beftaan vóór alle tijden, maar van „ zijne geboorte , door het vleesch , tot heil der „ menfchen." Uit deze Bijbelverklaringen van gPvE- GORius kan men zich gcmaklijk een denkbeeld ma- ken, hoe het Hooglied door hem behandeld is; hij heeft over hetzelve XV" Predikafiën , die zich uit- ftrekken tot Hoofd/l. VI. 8. (§) Zijne Toehoor- ders hadden veel daar van nagefchreeven ; maar hij voegde 'er nog het één en ander bij, en droeg het werk in eene inleiding op aan eene aanzienlijke
vrouw,
( * ) Opp. l. c. pag. 3Ö3-467. (t) Homilia II. pag. 3 85. fqq» (§) Tom. I. Opp. pag. 46871 1.
II
*>jhjik^.w:w^f f
^*^**Mift*»*
** .< « « «
*«.4
^^
"t^jcrar
iüMéïï
ruT,
GESCHIEDENIS.
23
vrouw, OLYMPIAS, te Kotj/fantinopolen, die van III hem eciie zoodanige Uitlegging van dit Boek bcgccrii ??J:* had, in welke de in de woorden rerborgctje wijs- [loofdd. heid^ (^Philofophle ^^ door eene welvocglijkc bc- "« C. G. fchouwing ontvouwd , en de zich voordoende zin ^^^ ^ ^^]
der woorden tot eenen meer zuiveren gelouterd vvor-
de. In deze inleiding erkent de Schrijver, dat ceni- ge Lccriiars van gevoelen waren, dat men in de II. Schrift overal bij de woorden beliooit te blijven; en dat zij ons voKlrekt . niet door raadzclcn en ccncii verborgenen zin onderwijst. Waarlchijnlijk waren deze zulke Leeraars , wien het nodeloze ongegronde en onophoudelijke Allegorizeren over den Bijbel te- gen de borst itiet. Woc het zij, gregorius be- moeit zich , in ^^7.0. inleiding te bewijzen , dut hij niet ongerijmd handele ^ als hij uit de II. Schrift op allerhande wijze nut poogt te trekken, Onder- tusfchen hebben vijf Predikatiën van onzen Kerk- leeraar over het Gebed ^ in vier van welken bijzon- der het Onze leader verklaard wordt, ongelijk meer nuttigheid (*). Daar zijn onder de werken van GREGORIUS nog mccr verklaringen van Bijbelplaat- zen. Hij heeft twee Predikatiën voor de woorden: Laat ons Menfchen maken naar ons Beeld ^ naar onze gelijkenis fe (f). Over de Toveres fe^ {tyyot^ 5'^*|Wü3'öj" , ) te Endor ^ ontvouwt grrgojuus zijne mening, in ecncn Brief aan zekeren Bisfchop tiieo- Dosius (§), in welk geval hij vermoedt, dat de
Dui-
(*) T. I. Opp. p. 712-761. (f) T. I. Opp.p. isjhiCiö.
C§) Tom. II. Opp. par,. 35*39.
B 4
K
I
t*
^ »
ikJk
>v
i • #
*^%
#«*
- 9* » «
aa K E R K E L IJ K E
IH de natuur zijn des Schrijvers acht Kerkredenen over
*<^^* dm Prediker van salomo , welken liii ook vol- VIII Hoofdn. g'^"^^ de Alexandrynfche Overzetting, tot Hoofdji»
na C. G. ni. \ri^. pr aciicaal ^ en ten dien einde, ook dikwijls ^^Q^ \J^^ allegorisch verklaart (*). Den naam Prediker heeft ■ dit Boek, gelijk gregorius gelooft, bij uitnemend-
heid , omdat het , door zijne voorfchriften , nuttiger voor de Kerk is, dan alle andere Bijbelboeken, mis- fchien ook naar den waaren Leeriiar der Kerk , den Zoon van God. Opmerklijk is het, dat hij (f), bij de woorden : Ik , Prediker , was Koning u yerufalem , deze woorden ; Pf. II. 7. Gij zijt vjjn Zoon, heden heb ik u gegenereerd, dus ver- klaart: „ De Vader der tijden zegt, dat hij den 5, Schepper van het Heel- al, heden gegenereerd „ heeft, om door dit tijdwoord bij den tijd der ge- 5, boorte aan te wijzen, dat 'er niet gefproken „ wordt van zijn beftaan vóór alle tijden, maar van 5, zijne geboorte , door het vleesch , tot heil der 5, menfchen." Uit deze Bijbelverklaringen van gre- gorius kan men zich gcmaklijk een denkbeeld ma- ken, hoe het Hooglied door hem behandeld is 5 hij heeft over hetzelve XV Predikati'èn , die zich uit- ftrekken tot Hoofdfl. VI. 8. (S) Zijne Toehoor- ders hadden veel daar van nagefchreeven ; maar hij voegde 'er nog het dén en ander bij, en droeg het werk in eene inleiding op aan eene aanzienlijke
vrouw ,
( * ) O/)/). /. c. pag. 363-467- (t) Honiilia II. pag. 386. fqq. (§) Tom. I. Gpp. pag. 468-711.
toe 476.
GESCHIEDENIS. 23.
vrouw, OLYMPIAS, te Konflantinopokn , die van III hem ecne zoodanige Uitlegging van dit Bock begeerd ^o^^ had, in welige de in de woorden verborgene wijs- Hoofdll. heid^ (^PJnlofophk ^~) door eene welvocglijkc be-naC. G. fchoiuving ontvouwd , en de zich voordoende zin |^" \^^ der woorden tot ecnen meer zuiveren gelouterd wor- de; In d^QZQ. inleiding erkent de Schrijver, dat eeni- ge Leeraars van gevoelen waren, dat men in de H, Schrift overal bij de woorden behooit te blijven; qn dat zij ons voUlrekt . niet door raadzelen en eeneii verborgenen zin onderwijst. Waaifcbijnlijk waren, deze zulke Leeraars , wien het nodeloze ongegronde en ofiöphoudelijke Allegorizeren over den Bijbel te- gen de borst Iliet. Iloe het zij, gregorius be- moeit zich, in deze inleiding te bewijzen, dat liij niet ongerijmd handele , als hij uit de H, Schrift op allerhande wijze 'nut poogt te trekken. Onder- tusfchen hebben vijf Predikati'èn van onzen Kerk- leeraar over het Gebed ^ in vier van welken bijzon- der het Onze Vader verklaard wordt, ongelijk meer nuttigheid (*). Daar zijn onder de werken van GREGORIUS nog meer verklaringen van Bijbelplaat- zen. Hij heeft twee Predikati'èn voor de woorden: Laat ons Menfchen maken naar ons Beeld ^ naar onze gelijkenis fe (f). Over de Toveres fe^ {iyyot- ff «jWuS-oj- , ) te Endor ^ ontvouwt gregorius zijne mening, in eenen Brief aan zekeren Bisfchop theo- Dosius (§), in welk geval hij vermoedt, dat de
Dui-
(*) T. I. Opp. p. 712-7C1, CO T. I. Opp.p, 139-1 66.
(§) Tom. II. Opp. pa^. 35-39.
F' 4
44 K E R K E L IJ K E
III Duivel zijne rol gefpceld iiceft en vcifchccncn is. BOEK ^^fjf Predikati'én over de Zaligfprekingeji in de Iloofdft. Berg -Predikatie van JESUS (♦), verdienen opmerk- na C. (j- zaamheld. Nog is 'er ddneL7//^^/t«;7rt'/g-e Verhandeling to^ irö ^^^ ^^^ » ^P vcrzoel<: van ecncn vriend , over de ■ ■ woorden des Apostels: Wanneer hem alles ouder- worpen zal zijn , dan zal ook de Zoon zelf zich onderwerpen aan den genen ^ die alles aan hem on- derworpen heeft (f). Om alle Kettcrfchc uitleggin- gen van deze plaats af te weeren, toont gregorius eerst aan , dat de gewoone betekenisfen van onder- worpen en onderdanig zijn hier geene plaats kunnen vinden, en hij laat den Apostel het volgende zeg- gen. Edns zal de natuur van het kwaadc tot niet overgaan, en hare daadlijkheid geheel verliezen. De Godlijke onbegrijpelijke goedheid zal elke rede- lijke natuur in zich bevatten; zoodat niemand, die van God gefchapen is, van zijn rijk zal verdoken blijven , nademaal al het kwaad , hetwelk onder de dingen gemengd is, gelijk onzuiver metaal door het zuiverende vuur, ontbonden, en alles, wat van God oorfpronglijk is, weder zijn zal, zoo als het was bij zijn ontdaan.
Van de leerflellige fchriften van gregorius is zijn groot onderwijs in den Godsdienst , ( Koyos K»1vix>]\iy.os 6 fAiyci^^ (§)? het voornaamfle. Het- zelve is geen Katechetisch opftel, in dien zin, als
wij
(*) Tom. I. 0/)^. png. 762-836, (f) Tom. II. O/»/», pag. 6-i\. (5) Tom. III. Opp. pag. 43-1 ï4r
GESCHIEDENIS. 25
wij dit woord thans nemen, maar, volgends cre- f II GORius eigene verklaring, bijzonder ingericht tot ^•'^''j'j onderwijs voor Joodcn en Heidenen , welke in het- Uoufdlh zelve door redelijke gronden van de lecrfhikken des '^^ C. G. Christendoms overtuigd willen zijn , en hunne te- {q[ .-^^ genwerpingen willen beantwoord hebben. Met dit ■ oogmerk komt hier veel voor, hetwelk goed en doelmatig is, maar ook veel fpitsvinnigs , en het- welk met de waardigheid van den Stichter van den Christelijken Godsdienst onbeftaanbaar , en geheel niet overeenkom ftig is, met leerilellingen , welke in het vervolg hecrfchendc zijn geworden. Eene blijk van de vrijheid, welke de Leeraars der Kerk toen nog hadden, in het leerftellige en in het voordragen van onderftellingen , zo zij maar in de hoofdzaak aan de vastgeftelde rechtzinnigheid getrouw bleven. Het' vefdient ook opmerking, dat het woord f^u^v^iov^ (^verborgenheid ,) door gregorius , in dit werk niet altijd in den lateren leerftelligen zin gebruikt wordt. Dan betekent het bij hem myflike of ge- heimzinnige verklaringen, dan de Christelijke leer in het gemeen ; dikwijls fchijnt het zelfs , dat hij alles , wat naar het tegenwoordig denkbeeld van dit woord daar toe gerekend wordt, denkt begrijpelijk te ma- ken; evenwel geheel en al heeft hij deze betekenis van het woord niet voorbij gezien.
Wij zullen , uit dit werk , het één en ander voor- Voor- beeld van het biigebrachte ffeven. Terflond in het •meelden , , , , .. . , , , 1 T^ . , . , van fom-
begm laat hij zich , om de leere der Dneëenheid mige bij- begrijpelijk te maken, daar over dus uit: Zij, die zondere van deze leere af keerig zijn , geven toch toe , dat JJJn gre*^-"
B 5 God Goiuus.
26 KERKELIJKE
III God niet zonder rede, {oiKoyo?,') is. Willen zij BOKK fie j-eje jn God naar het menschlijke verklaren, dan Hüofdft. kunnen zij, langs dezen weg, tot verhevener be- na C. G. grippcn opgeleid worden; want de rede moet toch to" i-6* ^^" ^^^ natuur gelijkvormig zijn. In God moet zij gevolglijk ecuwig en daadlijk beflaande, cenc leven- de en verdandige zelfftandigheid zijn , eenen vrijen wil en ecne daar aan gelijke magt hebbende , om al wat goed is , te werken ; zulk iet goeds is de we- reld ; geheel een werk van deze rede , of van het Woord 'm God, hetwelk ondcrfchciden is van hem, wiens Woord het is. Dus ftrijdt deze verborgenheid niet met de gevoelens der Grickfche Wijsgeeren, en men komt Analogisch met het gene in ons is, tot de kennis der hoogde natuur. Elk ziet, dat wij hier den Platonifchen hoyos hebben, welke echter met het Christelijk Leerftelfel niet hetzelfde is. Op dezelfde wijze heldert hij het beflaan des //. Geests op uit onzen Geest, of Adem, het aantrekken der lucht, waar door het uitfpreken van het woord ontdaat. Zoo wel het Woord, als den Geest van God zal dus de Heiden, naar de gewone denkbeel- den, en de Jood, naar de fchrift, {Pf. XXXIEf. 6.) misfchien erkennen; maar daartegen zullen zij de Menschwording des Woords onwaarfchijnlijk en Gode onwaardig vinden. Hier omtrent merkt nu GREGORius aan: Zij gelooven echter, dat alles van den Schepper door VV^oord en Wijsheid gemaakt is. Nadien nu het beftaan der Wereld van het Woord afhangt, en dit de menschlijke natuur daarom heeft voortgebracht , opdat deze voor het genot van God*
lij.
G E S C II I E D E NM S. 17
lijke goederen vatbaar zou zijn; zoo moet met de- fll
zelve iet, dat met God verwant is, vermengd zijn, ^^j'jj
opdat liare begeerte naar die goederen te rticer ont- HoofdlL
vlamd worde: en daar onder is ook de eeuvviglleid. "^ C.G.
Jaar 363. In de Schrift heet dit: De Menscli is naar Gods ^ot 476.
Beeld gefchapen. Dat hij thans aan hetzelve zoo ■ ongelijk is, komt van het fleclit gebruik van zijnen vrijen wil. — Men vraagt misfcliien naar de oorzaak der opzetlijke zonde. Hier omtrent hebben de Voor- vaderen onderwijs bekomen , hetwelk uit de natuur zelve geloofbaar wordt. De befchouwing der din- gen , die beftaan , verdeelt dezeiven in zulken , die voor het verfland, en anderen, die voor de zinnen zijn. Maar beiden heeft de Godlijke ^Vijsheid met malkandcren , oók in den mensch, vermengd, op- dat alles gelijk aandeel aan dit fchoone en welvoeg- lijke hebbe. De voegzame plaats voor de verftandi- ge natuur is de fijne, redelijke en beweeglijke Zelf- ftandigheid boven de Wereld , welke , naar hare na- tuur, met dezelve in verband ftaat. Vroeger bc- ftond reeds het verllandige Schepzel ; en elk der En- gelen-Magten kreeg eene bijzondere heerfchappij; dus was 'er ook eene magt tot beheerfching dezer aarde aangedeld. Als nu de mensch met Godlijke fchoonheid gefchapen werd, verdroot zulks den ge- nen, wien de regeering der aarde was toebedeeld, dat eene aan hem onderworpene natuur aan de hoogfte natuur gelijkvormig zijn zou. Alhoewel zelf zonder eenig kwaad gefchapen, wekte nogthans zijn afkeer van het goede, hetwelk hij zag, den nijd; hij verdierf daar door zich zclven, en dewijl
hu
A»;
Ie Ü
■k*v/
»-'"*^v^-
^'^É
I
III
BOEK
vm
Hüofdd
n
] -
tot 476.
KERK EL IJ KE
liij tien mcnsch niet door openbaar geweld van zijn
voorrecht kon berooven , verleidde hij hem, tenvijl
hi) het kwaad in zijn voorhemen mengde. — Vcr-
C. G. volgends de bedenking oplosfcnde, waarom God
Ton f" '^ o "^
ro' A-rt' ^'^ze invoering van het kwaad, hetwelk hij vooruit zag, niet geweerd hebbc? merkt hij tegen de Bla- vicbc'èn aan , dat het kwaad eigenlijk beftaat in eene berooving van het goede. Hij merkt verders aan, dat men de ontbinding des ligchaann door de dood, niet als een kwaad, maar veel meer als ecne weJ- daad van God heeft te befchouwen, dewijl het lig- chaam door die ontbinding van alle onreinheid ge- zuiverd wordt , om door de Opftanding tot zijne oorfpronglijkc gedaante hervormd te worden. De bevlekkingen, welke de zonden in de ziel gebracht hebben , n-otden in dii leven door de ari^zenij der deugd weggenomen ; blijft de ziel hier ongenezen , dan wordt de genezing tot de toekomende Wereld be* waard. Van jesus komst in het vlcesch fp reken- de, maakt hij eenc zwaarigheid: JNlisfchien zegt iemand , de bedekking der Godheid onder de memch- Vtjke natuur ,, door welke God aan den vijand on- bekend bleef, was toch een bedrog geweest! en be- antwoordt dezelve met eene ontkenning ; het was niets minder dan bedrog, maar ecne wedervergel- ding. De bedrieger werd zelf door de hem voorge- ftelde mcnschlijke gedaante bedrogen , nadat hij voor- heen de menfchen door het lokaas der wellust be- drogen had; en in plaats, dat hij den mensch door zijn bedrog ongelukkig had gemaakt, verkrijgt door dit vermeend bedrog niet alleen de m.ensch eene
wel-
:r*
.«» >►
#üft.^
■-^^-^ *l
^ -7
*.,« A 4
^ 41
GESCHIEDENIS.
29
III
BOIK
VIH
weldaad; maar zelfs die gene, die zijn verderf be- vorderd heeft. AVanneer de vijand déns deze wel- daad ondervinden zal, zal hij ook niet twijfelen , Hoofcift. dat dit rechtvaardig en heilzaam is. Even gelijk de "•'' C. G. zieken , die men fnijdt en brandt , op den Genees- '^^^ ^,5'
f ♦
• *
heer toornig zijn; maar genezen zijnde, denzelven danken ; op gelijke wijze zullen ook , wanueer na lang tijdsverloop het hvaade uit de natuur zal weg- gefiomen zijn ^ en die genen ^ welke thans in het booze liggen , //; hunnen oorfprongUjkcn toe/land weder hcrfleld zullen wezen ^ (?/? xa a^x^iov uTtoa»-' Toc^otcig^') alle fchepzelen ddndemniig dank zeggen; zoo wel die genen, welke door cene zuivering ge- tuchtigd zijn, als znlken, die niet ééns eene zuive- ring behoefden. Eene andere bedenking wordt door hem aangevoerd: M^aarÖm is de genade niet tot alle menfchen gekomen? Daar zijn toch zoo velen van het Woord Gods achtergebleven! Zij zijn , zegt de Schrijver , allen geroepen geworden , zoodra de prediking van het Euangelie haren aanvang nam. Maar de Almagtige heeft, uit hoofde der uitnemen- de eere, welke hij den mensch bewees, ook iet in onze magt gejleld^ waar van elk alleen heer en meester is. Dit is de vrije keuze , die . aan niemand onderworpen is , en onze geheel vrije wil. — Doch de twistgicrige tegenfprekers zeggen verder. God kon , indien hij wilde , ook de wederhoorigen gedwou' gen tot zich trekken^ om deze Prediking aan te ne- men. Maar waar zou dan in dezen de vrije wil zijn? waar de lof der genen , die recht leven ? - Alleen levenlozen of redelozen kunnen door eens
an-
tot 476.
^J^ J^.J^
% A
Aj%
^1#
éx^,
C«
'^^
«8 K E R K E L IJ K E
ITl hij den mcnsch niet door opcnbaiir geweld van zijn
noKK vDorrcciit kon berooven , verleidde hij hem, tenviil Vlll j ■) j
Hoofiiri. 'lij ^^^^ Ivwaad in zijn voornemen mengde. — Vcr- ni C. G. voli^cnds de bedenking oplosfcndc, waarom God lo' 4.-6. ^'^^^ invoering van het kwaad, hetwelk hij vooruit "■- ■' ' zag, niet geweerd hebbe? merkt hij tegen de Ma- mche'én aan, dat het kwaad eigenlijk beftaat in cene berooving van het goede. Hij merkt verders aan, dat men de ontbinding des ligchaams door de dood^ niet als een kwaad , maar veel meer als eene wel- daad van God heeft te befchouvven, dewijl het lig- chaam door die ontbinding van alle onreinheid ge- zuiverd wordt , om door de Opftanding tot zijne oorfpronglijkc gedaante hervormd te worden. De bcvlekkingen , welke de zonden in de ziel gebracht hebben, worden in di( leven door de artzenij der deugd weggenomen ; blijft de ziel hier ongenezen , dan wordt de genezing tot de toekomende Wereld be- waard» Van jesus komst in het vleesch fp reken- de, maakt hij eene zwaarigheid: Alisfchien zegt iemand , de bedekking der Godheid onder de memck- lijke natuur., door welke God aan den vijand on- bekend bleef, was toch een bedrog geweest! en be- antwoordt dezelve met eene ontkenning; het was niets minder dan bedrog, maar eene wedervergel- ding. De bedrieger werd zelf door de hem voorge- Ilelde menschlijke gedaante bedrogen , nadat hij voor- heen de menfchcn door het lokaas der wellust be- drogen had; en in plaats, dat hij den mensch door zijn bedrog ongelukkig had gemaakt, verkrijgt door dit vermeend bedrog niet alleen de mensch eene
wel-
GESCHIEDENIS. 29
weldaad; maar zelfs die gene, die zijn verderf be- Hl
vordcrd heeft. AVaiinccr i.\c vijiind déiis deze wel- ^'""^
\' 1 1 1 daad ondervinden zal , zal hij ook niet twijfelen , HoofiifK
dat dit rechtvaardig en heilzaam is. Even gelijk de "^ ^- ^- zickcn , die men fnijdt en brandt , op den Genees- {^^ ^_g'
heer toornig zijn ; maar genezen zijnde , denzelven
danken ; op gelijke wijze zullen ook , wanneer na lang tijdsverloop het kwaade uit de natuur zal weg- genomen zijn^ en die genen ^ welke thans in het booze liggen , /// hunnen oorfpronglijken toe/land weder hcrfteld zullen wezen ^ (e/ f ro a^y;<xiov uttokx- TU^otcig^^ alle fchepzelen édnltemmig dank zeggen; zoo wel die genen, welke door eene zuivering ge- tuchtigd zijn, als zulken, die niet ééns eene zuive- ring behoefden. Eene andere bedenkin^r wordt door hem aangevoerd: IVaarom is de genade niet tot alle nienfchen gekomen? Daar zijn toch zoo velen van het Woord Gods achtergebleven ! Zij zijn , zegt de Schrijver , allen geroepen geworden , zoodra de prediking van het Euangelie haren aanvang nam. Maar de Almagtige heeft, uit hoofde der uitnemen- de eere, welke hij den mensch bewees, ook iet in onzje magt gefield^ waar van elk alleen heer en meester is. Dit is de vrije keuze, die .aan niemand onderworpen is, en onze geheel vrije wil. — Doch de twistgierige tegenfprekers zeggen verder. God kon , indien hij wilde , ook de weder hoor igen gedwon- 9^ gen tot zich trekken, om deze Prediking aan te ne- men. Maar waar zou dan in dezen de vrije wil zijn? waar de lof der genen , die recht leven ? - Alleen levenlozen of redelozen kunnen door eens
an-
30
K E R K E L IJ K E
iri nndcrs wil genoodzaakt worden; maar een redelijk
Boi:tt wezen zou daar door de bekoorlijkheid van het re- VIII Hoofdrt. delijkc en alle zedelijkheid verliezen. De lecrc van
na C. G. den H. Doop verklarende , zegt hij onder anderen :
Jaar xtz. donder het Bad der Wedergeboorte kan geen mensch
t(»t 4/0. "^ °
, I in de groote Opflanding ftaan. Wie in dit leven
door dit Bad gereinigd is geworden, die keert ge- maklijker tot den genen, die met hem verwant is, terug. Maar die genen, wier hartstochten verhard zijn , en die noch door dit geheimzimiig water , noch door de aanroeping der Godlijke magt , noch door berouw en bckeering gereinigd zijn geworden, deze moeten, even als onzuiver goud, in den oven komen , opdat , na lange tijdperken , de natuur rein en voor God behouden worde. Ondertusfchen zegt hij, van de kracht des Docps fprekende: De Menschheid zelve wordt in den Doop niet veran- derd; niet de Rede, het verftandsvermogen , de be- kwaamheid tot wetenfchap, noch iet anders, wat haar eigendomlijk is; want anders ware het eene verbastering. Maar men moet na den Doop de booze neigingen en ondeugden uit de ziel wegrui- men ; want blijven dezen , dan is het water des Doops bloot water, en de gave des Heiligen Gecs- tes is den geborenen, (gedoopten,) niet medege- deeld geworden.
Een ander niet onbelangrijk Boek van gregorius is zijn Gefprek over de Ziel en de Opflanding (*). Hij gaf het den Titel macrina , omdat hij het in
een
(*) Opp. Tom. III. pag. 181-265.
G E S C II I E D E N I S. 31
een Gcfprok met zijne Zuster in hare doodlijke ziek- lïl te iiililccdJe , gelijk zij dan ook , onder den naam ""''-'^ van Onderwijstere 'er de hoofdpcribon in maakt. Hoofdft. In dit Gcfprck vraagt gregorius onder anderen : "^ C* G, Waar is dan de zoo vaak , in het gcmeene leven , in }^^^ ^ |'
Heidenfche en Christelijke vSchriften , genoemde plaats
d^t)i te zoeken, in welke de afgcfcheidene zielen zullen opgenomen worden? Daar op laat hij zijne Zuster antwoorden, dat daar door niet anders wordt aangeduid , dan dat het eene onzichtbare en duiltere plaats is. Zoo lang men de hoofdleere, dat de zielen na dit leven voort beftaan , niet zoekt om te ftooten, is het niet nodig, over deze plaats te twis- ten; voornaamlijk, dewijl alleenlijk ligchamen, maar niet de zielen, ccne eigenlijke plaats beflaan moeten. PAULUS gewaagt wel, (^Philipp. II.) onder de ge- nen, die hunne knieën buigen zullen, ook zulken, die onder de aarde zijn. Maar hij heeft in deze plaats niet een drievoudig verblijf, maar eenen drie- voudigen toejland der redelijke natuur^ willen op- geven; den hemeïfchen^ of der Engelen; den aard- fchen of menschlijken ; en den onder'dardfchen ^ na de fcheiding van ziel en ligchaam, tot ééns elk re- delijk wezen in het goede zal overëenftemmen. Men zou ook , door de onder 'dar dlingen , de Duivelen kunnen verflaan, die na lange tijdperken insgelijks van het kwaad vrij zijn, en christus Heerfchap- pij erkennen zullen. Iemand , die zich hier geheel ^ aan de zinlijkheid overgeeft, heeft na de dood nog eene andere dood nodig, om zich van het leem der vleeschlijke begeerten te ontdoen , daarom zullen
zich
■^■''3
* ••
*■■" #
«■ ■*
30
K E R K E L IJ K E
III anders wil genoodzaakt worden; maar een redelijk Bui.u \vezen zou daar door de bekoorlijkheid van het re-
VIII
Hoofdrt. delijke en alle zedelijkheid verliezen. De lecrc van
ra C. G. den IL Doop verklarende , zegt hij onder anderen :
Jaar 363. Vqj^^^j. ^gt £ad der Wederpehoorte kan geen mensch
t(»c 4/0. °
, I in de groote Opflanding ftaan. Wie in dit leven
door dit Bad gereinigd is geworden, die keert ge- maklijker tot den genen, die met hem verwant is, terug. Maar die genen, wier hartstochten verhard zijn , en die noch door dit geheimzinnig water , noch door de aanroeping der Godlijke magt , noch door berouw en bekeering gereinigd zijn geworden, deze moeten, even als onzuiver goud, in den oven komen , opdat , na lange tijdperken , de natuur rein en voor God behouden worde. Ondertusfchen zegt lüj, van de kracht des Doops fprekcnde: De Menschheid zelve wordt in den Doop niet veran- derd; niet de Rede, het verftandsvermogen , de be- kwaamheid tot wetenfchap, noch iet anders, wat haar eigendomlijk is; want anders ware het eene verbastering. Maar men moet na den Doop de booze neigingen en ondeugden uit de ziel wegrui- men ; want blijven dezen , dan is het water des Doops bloot water, en de gave des Heiligen Gecs- tes is den geborenen, (gedoopten,) niet medege- deeld geworden.
Een ander niet onbelangrijk Boek van gregorius is zijn Gefprek over de Ziel en de Opflandiug (*). Hij gaf het den Titel macrina , omdat hij het in
een
(*) 0/>/>. Tom, III. pag, i8i-255.
m: m, m
« *
i M
«B W ••'
« \
G E S C IT I E D E N I S.
31
een Gefprck met zijne Zuster in hare doodlijke ziek- ill te inkleedde , gelijk zij dan ook , onder den naam ""''-'^ van Onderwijstere 'er de hoofdpcrfoon in maakt. Hoofdft. In dit Gefprck vraagt gregorius onder anderen : "^ C. G. Waar is dan de zoo vaak , in het gcmeene leven , in ^^^^ ^^'
Heidenfche en Christelijke Schriften , genoemde plaats
«^jj? te zoeken, in welke de afgcfcheidene zielen zullen opgenomen worden? Daar op laat hij zijne Zuster antwoorden , dat daar door niet anders wordt aangeduid, dan dat het cene onzichtbare en duiftere plaats is. Zoo lang men de hoofdleerc, dat de zielen na dit leven voort beftaan , niet zoekt om te ftooten, is het niet nodig, over deze plaats te twis- ten; voornaamlijk, dewijl alleenlijk ligchamen, maar niet de zielen , cene eigenlijke plaats beflaan moeten. PAULUS gewaagt wel, (^Phillpp. II.) onder de ge- nen, die hunne knieën buigen zullen, ook zulken, die ouder de aarde zijn. Maar liij heeft in deze plaats niet een drievoudig verblijf, maar eenen drie- vottdigen toeft and der redelijke natuur ^ willen op- geven; den hemelfchen^ of der Engelen; den aard- fchen of raenschlijken ; en den onder aard f chen , na de fcheiding van ziel en hgchaam, tot ééns elk re- delijk wezen in het goede zal overëenftemmen. Men zou ook , door de onderaardïingen , de Duivelen kunnen verdaan, die na lange tijdperken insgelijks van het kwaad vrij zijn, en christus Heerfchap- pij erkennen zullen. Iemand , die zich hier geheel ^ aan de zinlijkheid overgeeft, heeft na de dood nog eene andere dood nodig, om zich van het leem der vleeschlijke begeerten te ontdoen , daai'öm zullen
zich
t #
* Si
I
i • I
i
X
't MM
# ^ I
i .V
i
• .1 » I 1 i
-p^,^
L* • I t f ■ • •■■•••.^•-* • t ■ 1
!•• P
3^
KERKELrjKE
A
*«»*
♦ »
« y
\i
zich ook bij de graven mcermaalen fchimmcn of icliadmvbcclden der verflorv^enen bevinden , omdat rioofdll. hunne zielen nog ftecds aan de (lofle hangen. Of jia C. G. ^oor zorgvuldigheid in dit leven ; of door zuivering na hetzelve^ wordt da ziel van hare verbinding met de redeloze hartstochten bevrijd. — Vervolgends zegt hij : Het Godlij k oordeel heeft het flraff'en der Zondaar en niet tot zijn hoofddoelwit ; veel meer werkt het enkel goed, nademaal het hetzelve van het kwaad afzondert, en tot gemeenfchap der zalig- heid brengt. — Even daarom moet men in het te- genwoordig leven zijne ziel of volkomen onbevlekt van de zonde bewaaren; of, indien dit wegens het hartstochtelijke van onze natuur niet mogelijk is, daar voor zorgen, dat het flechts geringe, ligt te genezen misjlagen zijn , opdat de zuivering niet een bijna eeuwig tijdperk bejlaan moge. Wanneer ééns volflrekt alles verbeterd zal zijn, dan zal God alles en in allen zijn, zegt de Apostel. Van de leer der Op/landing handelende, beweert hij uitdruk- lijk (*), dat de ziel, naardien zij van God gefcha- pen is, geenszins noodzaaklijk boos is; maar uit kracht van haren vrijen wil, of voor het goede de oogen fluit , of door de lagen van den vijand onzes levens, tot ondeugd verleid wordt, of zich voor de- zelve wacht.
Andere kerft elli ge , (^dogmatifche,^ opflellen van GREGORius, zijn grooteudcels veel korter, en over het geheel genomen, min gewigtig; maar echter op-
mer-
(*) Pag. 238.
UI
Wïï- '■
,^^ ^ 'W -»1
mmi
,A,*,«.< <
4 •*
« «
« i»
GESCHIEDENIS.
33
mcrkcnswaardig. Nog ccnc bijzondere verhandeling ill van de ziel (*), is uitvoerig genoeg; doch zij is ^^^^-^ meer eenc nuttige Bijdrage tot de Gefchiedenis en Hoofdd. het onderzoek der AVijsgeerte. In een gefchrift over "a C. G. het Geloof (f), geeft de Schrijver aan den Tribu-]'^^ f^l\ tjtts SL^iPLicius een kort denkbeeld van de Katho- .
lijke Leere van God, Vader, Zoon en H. Geest. Zijne Ferhandeling over de Heilige Drieheid ^ en tevens een bewijs van de Godheid des H. Geestes^ tegen derzelver vijanden , is gericht aan den Ge- neesheer EusTATHius ( S ) 5 Welke van anderen aan zijnen Broeder basilius wordt toegefc breven , waar tegen echter verdient opgemerkt te worden, dat, tegen de gewoonte van basilius, de Heilige Geest in dit gefchrift, iiitdruklijk God genoemd wordt. Dat men niet zeggen mag ^ daar zijn dri& Goden, toont gregorius in eenen Brief aan abla- Bius (**); van foortgelijkcn inhoud is de Brief, welken hij zal nagelaten hebben , over het onder fcheid tusfchen ncrta en Ctto^xo-i^ (ff) , doch welke ook fliaat onder de Brieven van zijnen Broeder basi- lius (§S), aan wien de Kerkvergadering van Chal~ cedon denzclven insgelijks toekent. Nog komt hier bij de Ferhandeling tegen de Heidenen , . uit de al- gemeene denkbeelden (♦**). Over het Beeld van
God,
(*) Opp, Tow. II. pag. 90-113. (t) 7. III. Opp. p. 38-42. (§) /. c. p. 5-15.
(**) Opp. T. III. p. 15-28. (ff) /. c.p. 28-37,
(§5) BAsiL. M. Opp. Tom. III. pag. 115-I22. (***) Opp. Tom. II. pag. 82-84. IX. Deel. C
\ '.
iV , ^
► •.
- k
$
32 K E R K E L rj K E
III zich ook bij de graven meermaalen fchimnicn uf
BOEK fehadinvbccldeii der verflorvencn bevinden , omdat
Moofdlh hiiiinc zielen nog ftecds aan de ftoflc hangen. Of
na C. O. door zorgvuldigheid in dit leven; of door zuivering
'\S^^ na hetzelve^ wordt ds ziel van hare verbinding niet
— de redeloze hartstochten bevrijd. — Vcrvolgends
zegt hij : Het Godlij k oordeel heeft het ftraffen der Zondaar en niet tot zijn hoofddoelwit ; veel meer werkt het enkel goed, nademaal het hetzelve van het kwaad afzondert, en tot gemeenfchap der zalig- heid brengt. — Even daarom moet men in het te- genwoordig leven zijne ziel of volkomen onbevlekt van de zonde bewaaren; of, indien dit wegens het hartstochtelijke van onze natuur niet mogelijk is, daar voor zorgen, dat het (lechts geringe, ligt te genezen misjlagen zijn , opdat de zuivering niet een bijna eeuwig tijdperk hejlaan moge. Wanneer déns volflrekt alles verbeterd zal zijn, dan zal God alles en in allen zijn, zegt de Apostel. Van de leer der Opfianding handelende, beweert hij uitdruk- lijk (*), dat de ziel, naardien zij van God gefcha- pen is, geenszins noodzaaklijk hoos is; maar uit kracht van haren vrijen wil, of voor het goede de oogen fluit , of door de lagen van den vijand onzes ■ levens, tot ondeugd verleid wordt, of zich voor de- zelve wacht.
Andere leerjiellige , (^dogmatifche ,^ opflellen van GREGORius, zijn grooteudccls veel korter, en over het geheel genomen, min gewigtig; maar echter op-
mer-
C*) Pag. 238.
GESCHIEDENIS. 33
tnerkcnswaarilig. Nog ccne bijzondere vcrliandeling III van de ziel (*), is uitvoerig genoeg; doch zij is ^^^^-^ meer eene nuttige Bijdrage tot de Gefchicdciiis en Hoofdd. liet onderzoek der Wijsgeerte. In een gefchrift over na C. G. het Geloof (f), geeft de Schrijver aan den Tribu-f^yf^l) nas siMPLicius een kort denkbeeld van de Katho- ■
lijke Leere van God, Vader, Zoon en H. Geest. Zijne Verhandeling over de Heilige Drieheid , en tevens een bewijs van de Godheid des H, Geesiesy tegen derzelver vijanden , is gericht aan den Ge- neesheer EusTATHius ( § ) , Welke van anderen aan zijnen Broeder basilius wordt toegefc breven , waar tegen echter verdient opgemerkt te worden, dat, tegen de gewoonte van basilius, de Heilige Geest in dit gefchrift, uitdriiklijk God genoemd wordt. Bat men niet zeggen mag ^ daar zijn dri& Goden, toont gregorius in eenen Brief aan abla- Bius (**); van foortgelijkcn inhoud is de Brief, welken hij zal nagelaten hebben , over het onder fcheid tusfchen aa-tct en uTofoto-*? (ff) , doch welke ook ftaat onder de Brieven van zijnen Broeder basi- lius (§§), aan wien de Kerkvergadering van Cha!^ cedon denzclvcn insgelijks toekent. Nog komt hier bij de Verhandeling tegen de Heidenen, uit de al' gemeene denkbeelden (***). Over het Beeld van
God,
(*) Opp. Tc;n. U. pag. 90-113. (f) r. lil. Opp. p. 38-42. C§) /. c. p. 6-15,
(**) Opp. T. III. p. 15-28. (ff) /. c. p. 28.37,
(§5) BAsiL. Dl. Opp. Tom. U\. pag. 115-122. (***) Opp. Tom. II. pag. 82-84. IX. Deel. C
S4 K E R K E L rj K E
III God, en n'at het hetekene: tot Gods Beeld ^ naar
^fu ^'^^^ gelijkenisfe? verklaart hij zicli in eene opzet-
Hoofdft. lijl^e Verliandcling (*). De Mensch lieeft niet al-
na C. G. it-eii ^^'w Beeld van God ontvangen; maar ook het
tot A-eJ^^^^^ ^" ^^'^ ^^'"^^j zoodat liij, als in een fpiegel ■ en voorbeeldige, (tijpifche,) fchaduwfchets , niet in
eene natuurlijke, de verborgenheid der Godheid uit drie Perfoonen bellaande, ja zelfs de Menschwor- ding van éénen uit de H. Drieheid, afbeeldt. Mis- fcliien heeft alleen de ziel betrekking tot het Beeld Gods, maar de verbinding der ziel met het ligchaam zal zien op de gelijkheid met de Menschvvording des Woords. Vraagt men, waarom God onze Stam- ouders niet naar de gelijkheid der overige redelijke of bezielde Schepzelen heeft gefchapen^ maar adam zonder geboorte, zijnen Zoon door hem,, en eva, op eene buitengewoone wijze, heeft laten ontdaan? dan zou men bijna met methodius kunnen zeggen , dat deze drie Hoofden van het menschlijk gcflacht, als perfoonen van hetzelfde Wezen, een Beeld der Heilige Drieëenheid zijn moesten, adam verbeeldt als dan den ongeboren God en Vader; zijn Zoon het geboren Woord Gods , en de uitgegane eva den uitgaanden Perfoon des Heiligen Geests. Verders zoekt hij in de ziel de fpooren der Eenheid in de Drieheid. De ziel is maar ééne ; doch zij heeft een redelijk Woord, en het Ferfiand, hetwelk paulus den Geest noemt, als hij van Ziel, Ligchaam, en Geest fpreckt. De ziel is ongeboren^ en dus een
Beeld (*} Opp. Tom. II. pag. 22-24.
GESCHIEDENIS. 35
Beeld des Faders; haar redelijk f^Voord daartegen ilI wordt, op eene onuitfpreeklijke wijze, van haar ge- ^^^^ tecld^ en het Ferftand gaat uit haar uit , gaat over- Hoofdfl. al rond, en onderzoekt alles, gelijk de H. Geest na C. G. de diepten Gods. De tweevoudige geboorte des j^J'^ J-J* Woords in ons, waar van de tweede door de lip- - pen volgt, beeldt ook de beide geboorten des God- lijken Woords af. enz. Op deze wijze gaat grego- Rius voort, tot de allergedwongende fpitsvinnig- hedcn toe, en dan gaat hij zoo ver, dat hij verze- kert , dat dit in ons bevindelijk getuigenis vaster en geloofwaardiger is, dan alle ander, hetwelk uit de JFet en uit de Schrift gehaald wordt. — Eindelijk ^ijn 'er nog onder de fchriften van gregorius , tien ft ui tredenen tegen de Maniche'èn (*), welke bewijzen zullen, dat het kwaad aan het verderf on- ■dervvorpen, en niet daadlijk beftaande; als ook dat de Vader van hetzelve, de Duivel, niet ongefcha- pen is.
Zijne zedelijke fchriften zijn min talrijk. Onder Zijne ze« dezen ftaat gevoeglijk het eerst zijn Brief aan Hië- ^^^ij.'^*^ RONYMUs: Wat de naam en de belijdenis van het Christendom zeggen wil (f)? Met dezen Brief hangt een andere famen aan den Monnik olympius, in welken de Schrijver op deszelfs verzoek aanwijst, welke de Christelijke Folmaaktheid is (§)•'' Dit onderwerp behandelde hij, in zeker opzicht, nog eens, toen hij cenc Verhandeling opftelde over het
God-
(*) T. III. /.. iSo. (f) Oj^p. T. III. p, 157-275.
(§) /. f. pag. 275-2p8.
C a
36 K E R K E L IJ K E
IIT Godlijk doel -einde en van de naare oefening^ als
f"^/;'! een onderwijs voor Aikeeten^ die liem daarom ver- VIII Hoofcirt. zociit hadden (*). En zo men nog nauwlccuriger
na C. G. vvii zien , hoe gregorius over de Christelijke Be* rot 4-'6. ki^cring denkt , dan moet men zijne Predikatie over
de Boete ^ (tts^* //têlflcvo/a? , ) lezen (f). Wegens
de gelijkheid van inhoud met deze Predikatie ver- dient hier ook genoemd te worden de Kanonieke Brief van gregorius aan letojus , Bisfchop te B'Ielitine (§); onder zijne overige Predikatiën, van welken 'er een vrij aanzienlijk getal overig is , bevinden 'er zich ook nog eenigcn, in welken Zedenleere heerscht. Ilicr toe behoort cene tegen die genen ^ die hunnen Doop uitjielhn (*♦), eene tegen dt woekeraars (ff), twee over de milddaadigheid je- gens de armen (§§), eene gehouden hij het begin van een groot vasten (***), en eene tegen de hoe- reerers (fft). Nog is 'er eene Predikatie tegen de genen , die geene heflraffJngen kunnen verdra- gen (§§§), bij gelegenheid van eenige wanördens, die op eenen Zaturdag in de Kerk waren voorgeval- len. Uit eene plaats in deze Predikatie: ,, Met welke oogen kunt gij den Zondag aanfchouvven, gij, die den Sahhath fchcndt? Weet gij dan niet, dat deze dagen Broeders zijn? " belluitcn fommi-
gen,
(*) 0/>^. 7.111./.. 298-311. (t)0/)^r. II./.. 165-176. <5) Opp. T.W.p. 1 14-123. (**)r. II. ;>. 215-224. (tt) T. W.p. 22S.fq. (§5)0,-. I./'.235. Or,ll.p.^9' C**)T. II. p. 24;. (ttt) /• c pas. 260. mi) Tom. ll\. pag. 311-317.
GESCHIEDENIS. 37
^n, dat toenmaals nog in fommigc Gemeenten bei- iri de deze dagen gevierd zijn geworden. Anderen van ^^'';'5 zijne Kerk redenen zijn voor zekere Feestdagen en Hoüfdft. eerwaardige Perfoouen gefchikt; zoo is 'er eene op "^ C. G. het Geboortefeest van Christus; en op de Kinde-\^^ \-76, ren te Bethlehem (*) ; vijf Kerkredenen over de ^ Opflanding des Heilands Ct); c^ne op den Doop van CHRISTUS (§), eene korte op de Hemelvaart van CHRISTUS (**), eene van den Heiligen Geest of op het Pink/lerfeest (ff) ; maar eene Predikatie over de ontmoeting des Heer en in den Tempel ^ van de Moeder Gods , en den rechtvaardigen snrE- ON (§§), kan van hem niet zijn, dewijl het Feest, in de Westerfche Kcrlv het Feest der reiniging van MARIA genaamd, eerst lang na zijnen tijd ingevoerd is. Van zijne Redenvoeringen op eerwaardige man- nen^ hebben wij reeds eenigen opgenoemd, in het voorgaande van deze Gefchiedenis, bij voorbeeld op GREGORius den Wonderdoener , den Syrifchen EPHREM, zijne Redenvoeringen op XL Martelaren ^ en op den Martelaar tiieodorus ; 'er zijn ook Lofredenen van hem , op den eerden Bloedgetuigen STEFANUS (***). Ook is reeds elders gewaagd van
zijn
(*) T. m.p. 339-354- Cf) T. III.^ 383-441.
(5) Tom. U\. pag. 366-381.
(**) Tom. III. pc/g. 441-444.
(ff) Tom. I. pag. ^j6. Deze heeft zacacm bet eerst in het Grieksch in bet licht gebracht Coll. Rlomm. Vett. T. I. p. ^^6. (§§) T. III. p. 444-4Ö4-
(*•*) 7. Ml.Opp, />. 354-366. en bij zacagm /. c.p. 330.
C3 i
38 K E R K E L IJ K E
III zijn Boek over den MaagdeJijken Staat (*); nog BOKK je 'er een cefchrift van hem, over de Kinderen^ die
VIII "^ o ' 9
Hoofdft. '^^'^^S 'weggerukt worden (f), waar in hij de vra- na C. G. gen beantwoordt, hem door niëRius , Stadhouder t ri-6 ^'^'^ A^iT/j/z^rt^oaë , voorgefteld, wat men van zulke ■ kinderen oordeelen moet, die kort na hunne geboor-
te Ilerven ? Of hunne zielen eens voor het Godlijk oordeel gefield zullen worden , en eene vergelding ontvangen^ zoo als zij verdienen? dan of zij, naar de leere van het Euangelie , door het vuur gezui" verd, of door den daamv des zegens verkwikt zul' Jen worden? De Schrijver antwoordt: dat zij geene vergelding ontvangen kunnen, omdat zij geheel niet geleefd hebben. Het van alle kwaad bevrijde kind bevindt zich in eenen natuurlijken toeflrand, en heeft tot zijne gezondheid geene zuivering nodig, omdat het nog in geene krankheid der ziel vervallen is. Men moet zich hier niet verbeelden, dat grego- Rius aan eene zuivering door een vagevuur, gelijk men het naderhand genoemd heeft, gedacht heeft; hij geloofde met origenes eene zoodanige zuivering na dit leven, door welke allengs, gedeeklijk eerst ra onmeetlijke Tijdperken , al het kwaade en zon* dige, in geesten en mcnfchen, zal weggenomen wor^ den; ook heeft men, met fommigen, geenen grond, om dit ftuk voor onecht te verklaaren, dewijl gre- GORius niets het minde gewaagt van een aangebo- ren zondig verderf, of van den doop , waar aan hij anders zoo groote uitwerking toefchiijft ; want hij
wil» (*) 7. UI. p. in-i7p. Ct) T.lll.p. 37-338.
GESCHIEDENIS. 39
wilde hier voornaamlijk als Wijsgeer Iclirijven, be- III Iialven dat het nog niet bewezen is, dat hij een na- ??^!5 tiiurlijk zondig verderf der inenlclien geloofd hebbe. Uoofdtt. Een ander gefchrift is gericht /7^« die genen ^ clie^^C. G.
Toot* '2/\'2
treuren, over de genen, die uit dit leven in het eeu- l'^^ .^^[ M'ige verplaatst zijn (*). Eenmaal, zegt hij daar in, zal de laatfte vijiind, de dood, te niet gedaan, het kwaad geheel weggenomen worden , en in allen eene Godlijke fchoonheid gUnfteren, tot welke wij van eerden af gevormd zijn, dat is, licht, zuiver- heid, onftcrflijkheid enz.
Dus dacht, leerde en fchreef gregoriös, tot om- Vervolg trenthet jaar 390, of verder ; zijnde door deze fchrift- ^'^"^'J"5 lijke gedenkftukken zijner werkzaamheid , bij al het zonderhe» gebrekige, dat zich daar in hier en elders voordoet, ^^'^' voor zijne Ciiristelijke tijdgenooten ten minften even 300 nuttig, als dat zijn naam, in de Gefchiedenis der Ketterijen en Kerkvergaderingen , in welk'e hij , geduLirende verfcheidene jaaren, geheel niet voor- komt , als één der flrijdbaarfte krijgers , pronkte. Het fchijnt zelfs , dat hij eer onfchuldig geleden , dan zelfs voor gewigtige belangen te hevig geflreden hebbe. Omtrent het jaar 393 geraakte hij in onver* diende moeilijkheden gewikkeld met helladii/s, die zijnen Broeder basilius, in de waardigheid van Metropoli taan ^ te Ccefarea 'm Kappadocie ^ was op- gevolgd. Hij verhaalt ze zelf in eencn Brief aan zijnen vriend flavianus (f), met zoodanig voor- komen van oprechtheid en gematigdheid, dat men
dra
(*) T. III. p. 6i7-()44. (1) T. III. Opp. p. 645-051.
C4
40
KERKELIJKE
III {^ra geneigd is, om hem te gelooven. Daar hem
HOEK van verfcheidenen gemeld was, hoe haatlijk hella-
Hoordfl ^^^'^ ^^" ^^^^ fprak, verzocht hij zijne vrienden,
na C. c;. deze moeilijkheden te helpen bijleggen. Hoorende,
Jaar 363- ^r^^ helladius , in zijne nabuiirfchap , een iSlarte-
tot 470.
^ laarsfeest vierde, en ziek was, reisde hij met groo-
te moeite dervvaards, om hem tot verzoening te be- wegen. Islaar deze liet hem lang onder den blooten hemel zitten, en ontving hem eindelijk met verach- ting en tegenzin, zonder zijne gemoedelijke verdedi- ging te willen aanhooren , en zond hem , dus zoo vermoeid en hongerig als hij was, naa Sebaste te- rug. GREGORius verhaalt het een en ander tref- fend, en laat verders aan God over, om 's mans hoogmoed te vernederen.
Voor de laatfte keer, zoo ver de berichten (Irek- ken, verfchijnt gregorius op ecne Kerkvergadering te Konflantinopokn ^ in het jaar 394, onder Voor- zitting van den Bisfchop nectarius aldaar, ge- houden (*). Deze vergadering hield zich werk- zaam met eenige twisten onder de Bisfchoppen in- Arabi'é, en maakte een befluit, dat voortaan de be- langen van eenen Bisfchop, niet door twee of drie, maar door alle Bisfchoppen van zijn Gewest, in zijne tegenwoordigheid, onderzocht en bcflist zou- den worden, baronius (f) gist, niet onwaarfchijn- lijk, dat RUFiNUS, die vermogende Staatsbcwinds- nian, hier zoo velen der aanzicnlijkftc Bisfchoppen
V00J> (*) HARDUIN. /Iet. Concil. T. I. p. 955. (f) Ann, Eed. ad a. 394. «. 28. y^.
GESCHIEDENIS. 41
voornaamlijk bijeen had doen komen, fcr inwijding III tcner Kerk, welke hij, in de Voordad van Kon- ^^l?{ ftantinopolcn , ter eere der Apostelen petrus en iioofdfl. PAULUS, gcrticht had, bij welke gelegenheid, hij "^ C. G. zich ook, volgends palladius (*), heeft laten ^yj .S^ doopcn, en hier toe behoort ook, naar het fchijnt, ■
hoewel niet zeker, eene Rcdenvoering van grego- Rius , welke ten oplchrift heeft : over zijne inwij- (Jitig (f). Even onzeker is de tijd, op welken GREGORius die XIV Brieven gcfchreven heeft, wel- ke ZACAGNi in zijne verzameling (§) heeft uitge- geven; in den tweeden derzelven, aan de KathoUj' ken te Sehaste ^ verdedigt gregorius zich tegen den blaam van onrechtzinnigheid in de leere der Drieëenheid, welken mei^. hem had aangewreven. In den zesden Brief windt men eene duidelijke fpoor, dat gregorius, ten eenigen tijde, in de Wueftijn geleefd moet hebben, als Kluizenaar.
Dus fchijnt gregorius, kort na het Jaar 394, Dood en zijnen levensloop volbracht te hebben. Hij was '^^rakter over het geheel een man van vredelievenden im- gorrts borst, meer gefchikt, om, als Wijsgeer, zich in vnn Nys- llilte onledig te houden met kunften en wetenfchap- '^* pen, dan om op een onrustig openlijk toneel eene rol te fpelen; van voortrcflijken aanleg tot Rede- naar, voorzien met geene geringe kundigheden der natuur en der mcnfchen; ook zonder levendige over- hcll\ng tot de Bijgelovigheid zijner tijden. Maar de
toe-
(*) ///•;/. Lauf. C. 12. (t) T. IL Opp. p. 40-47.
(5} /. c, pag. 354-400.
4a KERKELIJKE
111 tocfland dcrzelveii gaven hem, als Godgeleerden,
BOKK e^pc riciiting, welke niet beantwoordde aan dezen
Hoofda. ^'"y"^'" aanleg; met ecne geringe mate van fpraak-
na C. G. kennis, en uitlegkunde, moest hij echter over den
Jaar 363. j^y^^^i ^^ Godsdienstlceringen fchrijven , werd door
f. den ftroom medegcllccpt , en zeide vccl goeds op
de verkeerde plaats, zonder de verwachting op de rechte plaats te vervullen. Met één woord, vaak verhief zich 's mans geest, maar zonk even zoo fchielijk neder, zelfs tot eene zeldzame ligtgeloovig- heid, wanneer hij de vooröordeelen van zijnen leef- tijd, en zijnen Hand, of ook zijne eigene voelde. Hij heeft, op deze wijze, zijne plaats verkregen en gehandhaafd, onder de groote Kerkleeriiaren en Hei- ligen der Oude Kerk, hoe zeer zijne Wijsgcerige onderzoekingen hem dikwijls tot meningen brachten, welke met de gewoone min beftaanbaar waren, zoo als wij bijzonder gezien hebben, dat hij gevoelens van ORIGENES heeft aangenomen; maar tot zijne verfchoning, heeft men, in het vervolg, willen be- weeren , hoewel zonder den minflen fchijnbaren grond, dat zoodanige plaatzen door Ketters, bij- zonder door Ot igenisteii ^ in zijne fchriften zijn in- gebracht. Op deze wijze heeft gerinianus , Patriarch van Konflantlnopokn , in de zevende eeuw , hem , met hevigheid , verdedigd , in een gcfchrift , waar van FOTius (*) ons den inhoud heeft opgegeven, wien anderen in laater tijden gevolgd zijn. Uitgaven Tot hier toe ontbreekt ons eene goede en naauw-
keu-
' (*) Bibl. Cod. CCXXXUU pag. 5)04.
GESCHIEDENIS.
43
keurige uitgave van alle zijne werken, isaak ca- III SAUBONus , DU MOULiN , en ZACAGNi , hebben P^j'rlf eenigcn van zijne Brieven behoorlijk bearbeid in het Hoofdfl. licht gegeven. \'óór de XVlIite eeuw zijn zijne "^ C. G. werken niet in den Griekfchen Grondtekst gedrukt Iq\ .y^[ geworden. De Jefuiet fronton le duc , die reeds ■■
in het jaar 1596 te Ingolftad eenige van zijne Ichrif- ^-'^"^^ ten, het eerst van allen, zoo velen zij hem bekend waren, bekend had gemaakt, en naar de Latijnfche Overzetting van verfchcidene geleerden, in het jaar 1603 te Parys had laten drukken, bezorgde ook aldaar, in het jaar 1615, de eerfie Grieksch-La- tyiifche Uitgave derzelven in twee Deelen in Folio; en toen hem zijn Ordensgenoot jacob gretser , nog andere ongedrukte fchriften van gpvEgorius mededeelde, werden dezen in het jaar 1618 in een bijzonder Aanhangzel hier bijgevoegd. Deze Uitga- ve is in drie Deelen in Folio, te Pans 1038 her- drukt, maar niet zoo fraai en naauwkeurig, als de eerde Uitgave was. Met deze Uitgave heeft men zich, tot hier toe, moeten behelpen.
Ten zelfden tijde, wanneer de drie vermaarde Levens- vrienden, BASiLius de Groote^ gregorius van Na-^}'^'^f^'
,^ ^ derhedcti
zianzm , en gregorius van N-^jsfa , in de Ooster- van /.m-
fche Gemeenten ijverig werkzaam waren , om de ^r-osius , Arianerij te bcftrijden , deed ambrosius hetzelfde van I\Ii? in het Westen , met niet minder ijver en geluk. l^^n. Zijne onophoudelijke en fleeds voortarbeidende werkzaamheid, zijn welbcfpraakte Aijl, zijne leere en fchrifien , de luifler van zijn boven vele anderen uitdekend s<^^^rag, en de roep van zijne buitenge- mee-
44 K E R K E L IJ K E
ni mecne Ilciliglieid , hebben liem een aanzien in zijne BOEK Xerk te vvcge gebraclit, hoedanit? nevens hem enkel
VIII DO
Hoofiill HiëiioNYMUS en AUGUSTiNUS bereikt hebben.
na C. G. Zijn Vader ainibrosius , die uit eene aanzienlijke
J^^^ ^l' Romein fche Fam'iWc alltamdc, was Oppedladhouder tot 470. ■' ' ^^
van Ga//i'é, Qprafectus pratorio Galliarum,^ die
Zijn ge- Je Treviri zijn verblijf hield, alwaar dus ook,\vaar- fdüjnlijk, AMBROSius geboren is, hier zal ook het vvondcrteken met hem gebeurd zijn, even als van PLATO verhaald wordt , dat een bijënzwerm , toen hij nog in de wieg lag, zijn gezicht bedekt, en daar door een voorteken gegeven hebbe, dat hij 'm het vei-volg een groot man zou wezen (*). Het jaar van zijne geboorte is insgelijks onzeker, waar- fchijnlijk het jaar 340 ( f ). Zijne Na het overlifden van zijnen Vader, dien hij nog
kindsheid gg^ jongen zijnde, verloor, leefde hij met zijne «nopvoe- »,,..,, •• r.
ding. Moeder, zijiie Zuster iniarcellina, en zijnen Broe- der SATYRUS te Rome. Hier had marcellina, in of kort na het jaar 352 , in de Hoofdkerk voor den Bisfchop liberius de plegtige gelofte afgelegd, dat zij zich voor altijd aan den Ongehuwden Staat , en de Askeetifche Godzaligheid in het gemeen toe- wijdde (§). Haar voorbeeld maakte al vroeg eenen
be-
(*) PAULINI Vita S. Ambro/ii pag. II. in Append. ad O pp. Ambrofti Tom. II. ed. Bened.
(t) TILLEMONT iVö/. l.fur. S. Amhroifc pag. 729, Mémoir. Tom. X. Vergel. het leven van amurosius door de Beiiedictynen /. c. png. XXXI. fqq.
(S) Zie VI Dcd, Bladz. 48.
GESCHIEDENIS. 45
beflcndigen indruk op licm; die zich voorts te Ro~ III
me onledig hield met die wetenfchappen en ivunften, ^^j^'j
welive hem , langs zijns N'iidcrs weg , tot eer en Hoof'dih
aanzien leiden konden ( * ). na C. G,
Het was eene vrucht van dezen zijnen vlijt , dat ^^^"^ ^A'
.AMBR.OSIUS kort daar na voor de reciitbank van ■
PROBUS , Opperfiadhouder van lia/ie , te Mcriio/a-]}^^^^^'^^^ , T/v , •• I • • 1 • Stadhou-
nam, thans Bliiaan ^ met bijzondere toejuichnig, cier,en
begon te pleiten; waarom probus hem onder de daar na bijzitters van zijn beftuur aannam. Eindelijk be- ^l^^ ^^ Hoemde Keizer valentinianus, omtrent het jaar diolnnum 370 , of wat laater , hem tot Confularis , dat is , ofMiiaaiu Stadhouder van Liguri'è en /EmlU'è ^ twee Gewes- ten, welke het tegenwoordig Gebied van Milaan^ Genua ^ Parma^ Modena ^ en Bologna, en waar- fchijnlijk ook een gedeelte van Pleniont ^ bevattcden. Toen PROBUS hem , bij het aanvaarden dezer waar- digheid, de nodige lastbrieven overgaf, zeide hij tot hem , waarfchijnlijk doelende op de flrengheid van andere Stadhouders: ,, Ga, en neem iiw ambt „ waar, niet als Richter, maar als Bisfchop (f)!'* Hij deed dit ook werklijk , terwijl hij zijn verblijf te Medlolanum had , waar door hij zich de algemeene liefde verwierf. In het jaar 374 overleed de Bia- fchop dezer ftad, auxentius, die deze waardig- heid omtrent twintig jaaren bekleed had. auxentius was de groote fteun der Arïanen geweest, terwijl de KathoUjken door den Keizer genoodzaakt werden , de Kerkelijke Gemeenfchap met hem te onderhou- den,
C*) PAUL. 1. C. (1} PAUL. l. C. p. I, II.
4^ K E R K E L rj K E
III den , omdat hij zkh , in fchijn , voor hun geloof BoF.ic verklaard had. Des te driftiger poogden beide de Hoofdff. pfirtijën , na zijn overlijden , te Mediolanum , eenen na C. G. Bisfchop uit de hunnen te bekomen. De liisfchop- tot 1-6 P^" ^'^'^ beide Gewesten verzochten vi^el den Kei- ■ zer, om deze bediening te vervullen, maar de Kei-
zer liet het hun over, als mannen, wier wijsheid ccne betere keuze treffen zou. Vergeefs echter wa- ren himnc pogingen , dewijl de beide partijen zich niet konden verëenigen C*).
Reeds was men in de Kerk, waar de Bisfchop- pen vergaderd waren, op het punt, om geweld te gebruiken , toen amrrosius toefchoot , om de on- rusten door zijn aanzien te flillen. Onvoorziens riep een kind onder de menigte uit: ambrosius is Bisfchop! Dit, hetwelk eene zaak van geval, of het napraaten van een gehoord woord zijn kon , •\verd van beide de partijen , als een wenk der Voor» zicnigheid, aangemerkt, en de gehecle vergadering riep eenpaarig uit: aribPvOSius moest Bisfchop we- zen! RUFINUS voegt 'er bij (f), dat KathoUjken en Ariancn o verluid verklaarden, dat zij, nooit eenen f^emeenfchappelijkcn Bisfchop , of hetzelfde geloof bekomen zouden , indien men hun ambrosius niet tot Bisfchop gaf. In de ontfteltenis , welke hem dit veroorzaakte, vatte amrrosius de zeldzaamfte ■middelen bij de hand , om deze onfluimige opdragt •X'an zich af te wenden. IIlj verliet de Kerk; zijn
Rich-
' C*) i'\'"^- '• '*• THF.oD. II. E. L. IV. C. 6, y. (f) Ilist, Ecc.'es. Lil»: II. C^p. ii.
GESCHIEDENIS. 47
Riclitcrfloel moest aanflonds opgericht worden , en , III tegen zijne gewoonte, werden eenigc bcfchuldig. ?^"':^ den op de pijnbank gebracht. Hij wilde , dat men Hoofdfl. daar uit befliiiten zou , hoc flreng en wreed hij "^ C. G. was ; maar het volk riep hem veel meer toe : Uwe Iq[ ^^I* zonde kome over ons! Vervolgends begaf hij zich «
in zijne woning, om een Monnik te worden; hij wilde, fchrijft paulinus, de Wijsbegeerte aangrij- pen, en alle Wercldfchc pracht verachten. Als men hem daar in verhinderde, zocht hij zich, van eenen anderen kant, het Bisdom onwaardig te toonen, door openlijk ontuchtige vrouwsperfoonen in zijn huis te laten komen. Maar het volk, hetwelk hem beter kende, fchrecuwde nu nog luider: Uwq zon- de kome over ons! Ten laatften vluchtte hij bij nacht naa Ticimtm, thans Pavia ; maar God, zoo nis men verhaalt, verhinderde zijne vlucht, zoodat hij verdwaalde, en 's morgens voor de poort van Medioinntnn flond. Zedert bewaakte men hem , en gaf van alles bericht aan den Keizer , die zich ver- heugde, dat men den doorhem aangeflelden Stadhouder tot Bisfchop verkozen had (*). Of het denkbeeld, hetwelk zich ambrosius van de hooge waardigheid van het Bisfchops - ambt gevormd had, dan of de bedenking, dat hij nog ongedoopt was, zijnen te- genfland verwekt -hebbe, is niet zeker, doch het één en ander wordt uit eene plaats in zijne Brieven waarlchijnlijk (f). Eindelijk, nadat hij nog eene
proe-
(*) PAUL. /. C. p. II- UT. THEOD. /. C. Cüp. 7.
(t) Ep, LXIII. T. II. Opp, p, 1037. ed. Bencd,
48 KERKELIIKE
ni proeve genomen had, die hem mislukt was, Inj
BOEK iijj^i 2ich buiten de (lad vcrboreen, maar was ont- VIII Hoofdlh <^clvt, en naa Mediolanum gcbragt geworden, en
na C. G. dewijl ook de Keizer zijne keuze bevestigd had , Jaar 3 3. ^^^^ |^- ^^j^^. \^^„^^ wederftaan. Bovendien had va-
. ■ LENTINIANUS hem beloofd, dat hij de rust in zijne
Gemeente herllcllen zou. Dus verlangde ambrosius flechts , dat hem een KathoJijk Bisfchop doopen mogt. Acht dagen daar na werd hij reeds tot Bis- fchop gewijd; hoe zeer hij wenschte, dat men, op eene welvoeglijke wijze, daar mede wat langer ge- wacht had ( * ).
Ziin ge- Weinige dagen na zijne inwijding bracht ambro-
dragals gj^g j-^e^js aan den Keizer eenise buitenCpooricfhcden Bisfchop. .. D „ , , .. j. , . , 1
van zijne Bevelhebberen , met vrijmoedigheid , onder
het oog, hetwelk van den Vorst gunllig werd op- genomen (f). Ook fchonk ambrosius, terftond bij het aanvaarden van zijn ambt , al zijn • geld aan de Kerk of aan den armen ; aan de eerde vermaakte hij buitendien zijne vaste goederen, waar van hij alleen het vruchtgebruik voor zijne Zuster be- hield (§). Dus liet hij vervolgends de erfenis van zijnen Broeder aan de armen over (**). Met deze vrijwillige armoede paarde ambrosius cene ongemeen ftrcnge levenswijze. Hij arbeidde zeer veel, en fliep
des
(*) PAULIN. /. C. pas:. III. AMDROS. Kpi%t. XXI. p» 861. Ep. LXm. p. 1037. (f) THEOD. /. C.
( § ) PAUL. /. C. pag. X.
(**) De cxccsfu fratvh fui Satyi Libr. I. Tovj. II, Opp. pag. 1 1 30.
G E S C II I E D E NM S. 49
des te minder. Hij vastte daaglijks tot den avond, I[I alleen Zaturdag en Zondag , als ook de gedachte- ^^nfj iiisdagcn der beroemdlle Martelaren , uitgezonderd. Hoofdtl, Op den eerstgenielden dag, den Zaturdag, vastte "^ C. G, men, in de oiidlte Kerk, nooit, en toen zelfs deed [H^ ^-^*
men het niet te Blediolamim , en in andere AVestcr- •
fche Gemeenten. Maar, naardien de RoomfcheKtxk zedert de lilde eeuw het vasten op den Zaturdag had ingevoerd, zoo fchikte ambrosius zich insge- lijks daar naar, zoo dikwijls hij zich in die plaat- zcn en te Rome bevond, hetwelk hij ook aan ande- ren aanraadde (♦). Des te minder verfcheen hij op Gastmalen , omdat zijne matigheid en ernsthaftige deugd daar bij gevaar liepen; ook raadde hij zijne onderhebbende Geestelijken daar van af. Daartegen was hij zoo veel ijveriger in de waarneming van zijn ambt, zoodat men zegt, dat vijf Bisfchoppen bij den Doop in den plegtigen nacht vóór het Paaschfeest naauvvlijks zoo velen doopten, als hij alleen gewoon v^ras. Tevens ftond de toegang tot hem voor ieder eenen open ; hij bewees bijfland , waar hij kon ; maar werd ook, met andere bezigheden, en het be- (lisfen van twistgedingen , zoo overladen , dat hem weinig tijds voor hem zelven overfchoot. Alleen nooit prees hij iemand tot Hof- of Krijgsbedieningen aan; ook wachtte hij zich volftrekt, om geen huwlijks-
koppelaar te wezen (f).
On-
C*) Zie Dtel IV. Biadz. 155.
( t ) PAUL. nt. Amhrof. p. X. AUGUST. Covfesf. Lihr^ VI. Cap. 3. possiD, fit. /Itigmtin. Cap. 27, LX. Deel. D
50 K E R K E L IJ K E
III Onclcrtuslchen kon het niet misfcn, of hij moest coFjc fpocdig ondervinden, hoe weinig voorbereid hij was, Iloofdft. ^'^^ ^y" gewigtig ambt, als Leeriiar. Want, hoe na C. G. zeer hij de Romeinfche en ook eenige Griekfche tot 4-0' Sprnakkunde, Wijsbegeerte, en Wellprel;endheid , aangeleerd had , echter was de. eigenlijke Godsdienst-
^'3"^)/'^''' wetenichap hem vreemd. IMen heeft wel duidehjke om zich ^ , .. , * X -■ ^ t ,
inde fpoorcn bij augustinus (*), dat een Roomjche
Schrift te Ouderling, simplicianus aan ambrosius eenigGods- en ziine' <^-^'-'"f'^'S onderwijs gegeven heeft, zoo als hij van uitleg- node had , om gedoopt te kunnen worden. Maar luindige jjj^j. uARONiüs Ct) daar uit te overhaast bcflotcn heeft, dat de gemelde Ouderling door den Bisfchop van Home , DAr^iASUs , aan den nieuwen Bisfchop van Mediolanum is toegezonden , om hem de nodige ge- leerdheid en bekwaamheid tot zijn ambt te bezor- gen , is reeds van anderen opgemerkt. Ai-Mr.ROSius beklaagde zich nog, in zijne laatfte jaa'ren (§}, dat hij, van zijn Stadhouderfchap afgefcheurd, genood- zaakt w as geworden , te onderwijzen , het gene hij niet geleerd had. Evenwel fchijnt hij , zijn best ge- daan te hebben, om dit gebrek door een aanhou- dend onderzoek der Heilige Schrift en het lezen der beroemdlte Uitleggeren in de Griekfche en Lntijnfche Kerk te vergoeden.
Maar ambrosius fchijnt juist niet voornaamlijk daar voor gezorgd te hebben , om een waar begrip
te
(*) Confcsf. Libi: VIII. Qjp. 2.
(f) Jnn. Eccl. ad aun. 375. v.. 22. ad a. 3S5. f;. <p»
{%) Da ofciii L. I. C. 1. 2', II. p. 3. ed. Bcned.
GESCHIEDENIS. gt
te vormen vaii de moeilijkheid en de Inilpmiddelen Ui
der Bijbclfclie Uitlci^jkunde , en zich dcsnicttegen- '"'^''-^
flaaiide fpoedig wagende aan boeken van dezen in- Hoofdft.
houd, reeds in de eerfle jaaren van zijn ambt, ont- na C. G.
(londen daar uit natuurUik zoo losfe en hifle uitlc^i- Rï'" ?,J*
^ tot 47"»
gingen , als men in zijn Boek oyer het Paradijs •
leest (*); allegoriën en leenfpreuken , gedeeltlijk uit piiiLo overgenomen, en de beantwoording van ver- fclieidene opgevvorpene vragen , "en hier en daar tus- fchengeftrooide zedenlesfen; maar weinig of niets van den zin der woorden , en het gene daar van aangevoerd wordt, zoo onzeker, dat men nauwlijks weet, wat daar van te maken. In dien zelfden fmaak ftclde hij kort daar na een vervolg van het gemelde Boek op (f), waar in insgelijks van vele a//egori'éii van filo gebruik gemaakt wordt.
Al vroeg vestigde aimerosius ook zijne aandacht Zijne op den toenmaligen toeftand der Ketterfche aanhan- ^l^^^' gen. In zijn gefchrift over het Paradijs had hij en hande« reeds de Manichehi , zonder hen te noemen , be- hngen re- ftreden , die thans in ItaU'è nog vrij talrijk waren. Adanen Maar gevvigtiger was voor hem de betrekking, in welke hij ftond jegens de Ariancn^ die tot hier toe te JS^dioJanum zoo magtig waren. Deze hadden gewillig in zijne verkiezing tot Bisfchop bewilligd, meer toegevendheid van eenen gcwezenen Stadhou- der verwachtende, dan indien een Katholijk Ouder- ling verkozen ware geworden. Doch , om dezen
tijd,
(*)£)<? Paradifo Liher umis T. I. Opp. p, 145-183.
(t) Ö5 Cain et Abel Libri II. p. 183-224.
D 2
5a KERKELIJKE
^^ï tijd, daalde hun gezag in liet Westen geweldig,
BOEK rL I 1
yijl waar toe ambrosius Itcrlv weikzaam was. valen- Iloofdlt. TiNiANUS was hem genegen , en ambrosius kan 'er
T \<^' veel aan toegebracht hebben, dat deze Keizer in het
Jaar 363. » '
tot 476. Jaar 375 de Kerkvergadering in lllyictim liet hou- " ^t\\ , tot bevestiging van het Niceemch Geloof ( * ).
De Keizer overleed wel in dat zelfde jaar, en zijne beide Zoonen , gratianus en valentinianus II , die het Westerfche Rijk onder zich deelden, waren nog te jong, dan dat zij naar vaste beginfelen han- delen konden. Evenwel verkreeg ambrosius , van tijd tot tijd , op den oudden dezer Prinfen , meer invloed. Toen deze, in het jaar 378, meester van het geheele Romeinfche Rijk werd , Helde hij fpoc- dig aan de Arianen^ door zijne wetten, paaien (f). Tot hier toe waren de KathoUjken in het Oosten, onder de regeering van valexs, niet weinig ge- drukt geworden. Zij zochten zich daarom, door eene verbindtenis met hunne Westerfche Geloofsge- nooten, te verfterken; waar toe onder dezen am- brosius hun voornaamlijk de hand bood. Hij fchijnt reeds in het jaar 374, ten dien einde, aan BASiLius den Grooten gefchreven te hebben. Deze Bisfchop, die boven anderen voor de aanvallen van het Hof blootgeftcld was, fpoorde hem (§) aan, om de Arianen tot het waarc Geloof te bekeeren, ook zond hij hem het door hem begeerde lijk van
DI-
(*) Zie DeelVWl. Blach. 35. (t) Zie DeelNlW. Bladz. 43. (§)£/>. CXCVII. Tom. III. A 288. ed, Bev.cd.
GESCHIEDENIS. 53
DiONYSius , zijnen KathoUjkcn Voorzaat in zijn m
Bisdom (*)• Van dien tijd af vestigde zich tus- '''^'"'^
. VIII
Ichcn deze beide Bisfchoppcn ccnc gemeenzame Hoofdft.
vriendfcliap; ook maakte ambrosius gccnc zwarig- "^ C. G.
hcid, om in zijne fchriften, van dezen Bisfcliop , ^^^^^ ^ |*
die veel geleerder was, veel te ontleenen. .
Daartegen zou men bet niet verwacht hebben , Zijn ijver dat AMDROSius reeds in deze eerde iaaren van zijn Y^^^'^f" ambt zich met dien ijver voor de uitbreiding van liji^en den Ongehuwden Staat, bijzonder in het vrouwlijk Siaat. geflacht, verklaarde en gedroeg, welke meer eenen veeljarigcn Monnik dan eenen kundigen gcwezcnen Staatsman waardig was; terwijl men zich verwonde- ren mag, dat hij, anngeflcld om te onderwijzen, en om zulke dweepiichtige grondregelen te verbete- ren, zijne waardigheid zoo weinig gevoelde, dat hij bekende van Godgewijde Maagden , als een aanko- mend Leerüar, geleerd te hebben. Van de Boeken, door hem omtrent de Jaaren 377 en 37S, tot aan- prijzing van den Ongehuwden Staat, gefchreven, en van een dergelijk in het jaar 392, hebben wij reeds elders gewaagd (f). Ook is daar eene Verhande- ling of Predikatie van gelijken inhoud gemeld, die, fchoon eeiiige verfcheidenheid in den ftijl tegen zich
heb-
C*) Zie Deel Vlir. Bladz. 279.
( t ) -D^ Virginibus , ad Marcellïnam fororem fiinm , Libri IIT. T. II. Opp. p. 145-184. de Fiduis l. c. pag, 185-210. de Virginitate l. c. p. 213-246. de Inflitiitime nrghm^ et S. Maviis flrgiiiitatc perpetua l. c, pag» a4i)-274. Zie VI Deel, Bladz. 48.
Ds
54 K E Tv K E L IJ K E
in hebbende , echter door de BenecUctyneit , onder de
BOF,K werken van ambrosius , geplaatst is ( * ). Zii is VIII 7-1 ^ y J
Iloofdfl. c^"^ Iicvige beHraffing aan eenc jonge Dochter, die na C. G. liarc plegtig afgelegde belofte van kuischheid ver- J^^"'^ ^_^' brokcn had, en die tot bekecring vermaand wordt. -i Nog moet men hier bijvoegen, eene Predikatie van
het jaar 393 (f), v\'aar in ambrosius, genodigd zijnde, om cene Kerk in te wijden, die van zekere weduwe, juliana, Xt Florence gebouwd was, over- eenkomdig de wenfchen dezer weduwe, haren klei- nen Zcon en Dochter, deels in haren, deels in zij- nen eigenen naam, met redenen, die uit zijne bo- vengemelde fchriften bekend zijn, vermaant, om het Asketisch en kuisch leven te verkiezen. Maar van de Kerk , die hij inwijdde , zegt hij genoegzaam niets. — Zijn werk Van meer belang was zijn werk over het Geloofd over het hetwelk hij , in het jaar 378 , begon te fchrijven (§). ge 00 . j^^.j2cr GRATiANUs, gcrccd ftaande, om met een le- ger zijnen Oom valens tegen de Gothen te hulp te ti'ekken , en misfchien vreozende , door denzelven , die zoo ijverig Ariaansch- gezind was, te zullen aangevochten worden , om dit gevoelen te omhelzen, verzocht ambrosius om eene fchriftelijke verklaring van het Christelijk Geloof, bijzonder van de Leere van CHRISTUS, ambrosius flelde daarom , in het gemelde jaar , de twee eer/Ie Boeken van dit werk
op.
(*) 7)t? Lap fit Firgit?is confecratx l. c. p. 305-320. (I) Exhortatio Fïrginii'atis l. c. p. 277-302. (§) De ruk Libri V. T. II. Qpp.' p. 443-595.
GESCHIEDENIS. 55
op. In de opdragt zegt hij, dat liij liever een ver- III maanfchrift , dan cene verklaring van het geloof, zou !^"^-'^ vervaardigd hebben , omdat dit laatdc te veel ver- Hoofdfï. trouwen op zich zelven ontlerftelt , en dat hij , on- "^ C. G. der de Kerkvergaderingen, bijzonder de Nlceejifche, l^[ '^' volgen zal, op welke even zoo vele Priesters, als ABRAHAiNi gewapeuden ten flrijde had uitgevoerd , een zegeteken hadden opgericht. Vervolgends be- fchrijft hij eerst het geloof der Christenen van God , in tcgenflclling van Heidenen , Jooden , en Ketters , waar na hij overgaat tot de bewijzen der Godheid van CHRISTUS. In het iweede Boek verzamelt hij eerst XII namen, die aan cmristus in de Schrift gegeven worden , welke hij vergelijkt met de XII edele geftecnten in den Borstlap des Iloogenpries- ters, van welke hij ook eene geheimzinnige beteke- nis opgeeft. Vervolgends wederlcgt hij de beestach- tige onzinnigheid der Arianen^ die ontkenden, dat Gods Zoon goed is. Dit was evenwel niet anders , dan eene haatlijke gevolgtrekking, van welke zich ook BASiLius de Groote ^ gregorius van N'ysfa, EPiFANius, en andere aanzienlijke Kerkvaders, te- gen de gemelde partij bediend hebben, omdat de Arianen uit de plaats : Niemand is goed , dan God alleen^ een bewijs afleidden tegen de Godheid van CHRISTUS ; eene gevolgtrekking , welke peta- vius (*), met recht, berispt, en de Denedictyner uitgevers van «ambrosius vergeefs goedgdicnrd hebben.
CRA-
(^*') De Dogmatt. Theolog. L. II. C. 4.
D4
56 K E R K E L IJ K E
III GRATiANus kvvam , in het jaar 379, na het on-
*^Mr gt-lukkig uiteinde van valens, als Heer van het Hoofdft. g'iiiïl^lie Rijk, in het Westen terug; maar nam ter- ua C. G. ftond daar op theodosius tot medegcnoot aan. tot 47Ó.' 1 '^^"^ begeerde hij van amijrosius , wien liij zijnen ■ ',— Vader noemde , dat hij fpoedig bij hem zou komen ;
ook verzocht hij van hem de bovengemelde verhan- deling nog ééns , vermeerderd met de bewijzen van de Godheid des Heiligen Geests (*). ambrosius ontfchuldigde zich , in zijn antwoord aan den Kei- zer, wien hij den eernaam van ylllerchristelijkjien Vorst , ( Chrisiianisjiimis Principum , ) geeft ( f ) , dat hij uit eerbied niet tot hem gekomen is; hij roemde zijnen Godzaligen ijver; ook de ncderdaa- ling, met welke hij eigcnhafldig aan hem gefchreven had, (zoo als abraham, met eigene hand, het Kalf flachtte, waar mede hij zijne Gasten onthaal- de,) en beloofde zijn verzoek ééns te zullen vol- doen. Doch GRATIANUS dtoug bij zijne komst te Mediolanum zoo zeer aan op het vervolgen van dit werk , dat ambrosius 'er kort daar na nog twet Boeken bijvoegde ; waar toe de tegenwerpingen , welke "van de Ketters tegen de twee eerfien gemaakt waren, ook iet toebrachten (§ ), Dit werk is in het vervolg zeer beroemd geworden, niet alleen in die tijden , wanneer men met elk gedenkfluk van rcchtziniiigheid , hoe middelmatig het ook \rare, te
vre-
(*) CRAT. Epist. ad Amhrof. intir Epistt. Awbrof^ Tom. II. pag. 751 (f) /. c p^g. 752. (§) Libr. m. de fijc Cap. i.pag* 497.
GESCHIEDENIS. 57
vrede was, maar zelfs nog in laatcr tijd heeft men III 'er den grootften lof aan toegekend , gelijk de Bene- ^^^^J dictynen in liiinnc uitgave der werken van ambro- HoDl'drt. sius. Wij willen het geenszins van den lof beroo- "^ ^* ^» ven , dien het waardig is , maar met alle bevallig- 1'q[ .^^\ heid, welke de fliji van aribrosius fomtijds heeft, ■■
is het werk toch al te wijdlopig en omflachtig. In- zonderheid is het voor ecnen jongen Vorst, die een gemaklijk overzicht van den zoo ingewikkelden twist tusfchen de Katholijken e*n Arianen begeerde, niet doelmatig opgefteld. De orde is insgelijks vi^cinig voegzaam, na een kort voorftel van het Nicéifche Leerltelfel , eene bijna onoverzienbare reeks van te- genwerpingen , die zonder eenige keuze of fchikking door één gemengd zijn , en met veel omflag en her- halingen wederlcgd worden; en eindelijk hoe veel leerftellige bekwaamheid en vaardigheid, om alles te vereffenen, men ook daar in wille erkennen, is de uitlegkunde zeer gering, welke ambPvOSIlts daar ten toon fpreidt ; met één woord , het zachtfte , wat men van dezen arbeid van ambrosius zeggen kan, is dit, dat het meer dienen kon tot bevestiging van ijverige Katholijken in hun geloof^ dan tot overtui- ging van y^;7^/7e'« , voornaamlijk zulken, die gewoon waren te denken.
Terwijl aimerosius aan dit werk arbeidde, ver- Dood van
loor hij zijnen zoo geliefden ouder Broeder sa- ^'J"^'"
•' • ^ Broeder
TYRUS. Deze was , langs denzelfden weg , als satyrui.
hij , tot de Bevelhebbersplaats van een Romeinsck Landfchap opgeklommen, hetwelk hij zoo goeder- tieren en billijk bcfluurde, dat de inwoners hem
D 5 meer
58 K E R K E L IJ K E
III meer nis lumncn Vader aanzagen (*). De beide
BOEK i3rocdcrs waren eikanderen zoo ffclijk in vvezenstrek- VI 11 HooiUrt. l^e"? ^^^ ^^^^ '^'^^ ééuen voor den anderen zou ge-
nn C. G. nomen hebben. Zij leefden , zoo veel mogelijk was , tot Ijó' ^y malkandercn ; hun vermogen bleef hun gcmeeii- ■ fchappclijk; maar satyrus bezorgde hetzelve en al-
le huislijke bezigheden alleen; de déne Broeder be- wees den anderen even zoo vele hoogiichting als ge- negenheid. De laatltc uitftekendc proeve , welke de oudf!:e daar van aan den jongflen gaf, was eene rei- ze naa Jfrika^ om zekeren prosper, tot het we- deriifftaan van een Landgoed , te noodzaken , hetwelk hij dcnzelven reeds lang onthouden had. satyrus leed, op deze reize, fcliipbrcuk. Minder bekom- merd voor zijn leven, dan dat hij den Doop nog niet ontvangen had , fprong hij in zee , nadat hij zich de in het fchip bewaarde gewijde tekenen van het Heilig Avondmaal in een neusdoek laten rollen, en dien om den hals gebonden had, opdat hij die terftond , na den Doop ontvangen te hebben , zou kunnen gebruiken, en dus zwom hij gelukkig aan Afrika te land. Hier weigerde hij van eencn Lu- ciferïaaufchen Bisfchop gedoopt te worden , en ver- koos daar toe liever éénen , die met de Roomfche Kerk in gemoenfchap ftond. Dan naauwlijks was hij te Medlolanum terug gekomen , of hij overleed , in het jaar 378 of 379, in de armen van zijnen Broe- der. Deze hield, in de Kerk, in welke hij begra- ven ( * ) AMBRos. de excesfu fratrii fui Saiyri Libr. I, Tom. II. Opp. pag. 1129.
G E S C II I E D E NM S. 59
ven werd, nadat hij daar te voorcn, met ongedek- III ten aangezicht, gelegen had, cene Lijkrcden, uit l^^/jj welke dit bericlit ontleend is , en die , wegens hare Hoofdft. aandoenlijke welfprekendhcid , waardig was , bewaard "ƒ ^- ^' te worden ( * ). Het begin zelfs kan men te gelijk iot 476*. edel en ook eenigzins zonderling noemen. „ Wij ^— — „ hebben," zegt de Redenaar, ,, mijne geliefdde „ Broeders! mijn flacht- offer hcrwaards gebracht, „ een onbevlekt flacht-offer, hetwelk Gode behaagt, „ mijnen Heer, (^doumum ^') en Broeder satyrus." (In dit Latijnfche woord vindt men de oudfte fpoo- ren van deze befcheidene verkorting van het woord dominus ^ waar van dezelve nog, en in het Fransch Dom , door de Benedictynen in Frnnkryk voor hun- ne namen gezet wordt.) „Ik herinnerde mij, dat hij „ fterflijk was, ook bedroog mij mijne mening niet; „ maar de genade vloeide rijklijk over. Ik heb „ geene reden, om te klagen, maar wel ben ik „ fchuldig. God te danken, omdat ik altijd ge- „ wenscht heb , dat , indien zekere rampen over de „ Kerk, of over mij beftemd waren, deze liever op „ mij en op mijn huis vallen mogten. Dank zij dus „ Gode daar voor, dat ik, bij deze algcmeene „ vrees, daar men overiil wegens den' aanval der „ Barbaren bezorgd is," (deze waren de Gothen , tegen welke valens, m de vreeslijke ncderlage van het jaar 378, gcfneuveld was,) „de gemeene droe- 5, fenisfen door mijne bijzondere fmart voltooid heb ,
„en (*) De exccsfu fratrii f ui Satyri Libr. I. /. c. pag. II13-113Ó.
6o K E R K E L IJ K E
III „ en dat op mij gewend is, het gene ik voor allen vn'r " ^''■'^"'^^' ^logt het Hechts hier mede voleind Hoofdft. 7-> ^y'N opdat mijne Imart eene bevrijding der open- na C. G. ,, bare ware ! " enz. Op den zevenden dag daar lot 476. "^ kwam de Gemeente weder bijeen , bij het graf > ■■ van SATYRUS, om het gewoonc gebed voor zijne rust te doen. Bij deze gelegenheid deed ambPvOSIus de tweede Predikatie, in welke hij zijne Toehoo- hoorers vermaande, tegen de te verregaande droef- heid over de overledenen, en tevens onderhield over de waarheid der Ophand ing (*). Milddan- Dezelfde algemeene nood des Rijks, van welken
cigncid AMBROSius in de. eerde der ffemelde twee Kerkrede-
vanAM- '^
BROsius. nen gewaagt , gal- hem ook gelegenheid , om , op
eene niet gewoone wijze, milddaadig te wezen. De Cothen , die , zedert eenigen tijd , verfcheidene Ge- westen overliroomden , en zich bijzonder, na hnnne overwinning over de Romeinen, in het jaar 378 ^ in Thracic en Illyricum , tot aan de Grenzen van Italië toe , verbreidden , maakten aldaar eene onbe- fchrijHijke menigte gevangenen, welke zij weder aan- boden te verkoopen. Vele Gemeenten kochten, ge- lijk AMBRosius (f) verhaalt, een aantal derzelven los. Hij, die zulks voor de hoogfle milddaadigheid hield, liet zelf de goudc kerkvaten, die nog niet Godsdienflig gebruikt waren, Qvafa viyfiica, non initiata^^ in fhikkcn (laan, om tot dezen liefdepligt gebruikt te worden. De Arianen berispten hem
des-
C*) Ubcr II de fide Refurrectioms t. c. p. i 136-1170. (t) Z)f Ojjlc. iViKiJiior. L. II. C. 15. />. 87.
GESCHIEDENIS. 6i
tlcswcgcns; cnkd, zoo als hij verzekert (*), om- III dat zij hom ongenegen waren. Maar hij verdedigde ^'i'^ zijne vcrricliting met zeer goede redenen. Over het Hoofdft. geheel volgde hij , ten aanzien van de Kerkelijke bc- na C. G. zittingen, zulke grondregelen, die bij de toenmalige J^^ ^_J[
Geestlijkheid ftecds zeldzamer Averden. In eenen .
twist tusfchcn twee Broeders, en hminc Zuster, tot fchcidsman geroepen, bewerkte hij een vergelijk, en verzoende hen met clkanderen; maar ontzette daar door de Kerk van eene erfenis, welke de één dezer Broederen, de Bisfchop mar.cellus, haar toege- dacht had. „ Zij verliest niets ," fchrijft ambro- sius aan hem (f), „ door het gene de Gods- „ vrucht gewonnen heeft. Want de liefde is gccii „ verlies, maar een gewin van christus, en eene „ vrucht van den Heiligen Geest. Ook wordt de „ Kerk daar door van uwe milddaadigheid niet be- ,, roofd ; zij heeft de vruchten van uwe Iccre en „ van uw leven. Rijk in deze kunflen, begeert zij „ niets tijdlijks , dewijl zij het eeuwige bezit."
In dezen tijd , tusfchen de jaaren 377 en 379 , be- Andere hooren waarfchijnlijk weder twee andere fchriften '*^"'^'"^'^» van AMBROsius , over Bijbelfche Gefchiedenisfcn en Bijbelboeken. De vroegde daar van kan wezen zijne Verhandeling over het Boek van tocias , welke uit eenige Predikatiën is famengefleld (§). Dit werk is geene uitlegging van dit Boek, maar bij gelegen- heid ,
(*) /. c. Cap. d8. p^g. 103.
(t) Ep:si. LXXXII. pag. non. Toni. II.
(§) Lil^er de Tobia Tom. I. Opp. pag. 591-622.
62 K E R K E L IJ K E
III hcid , dat tobias geld uitgeleend , en zonder ren- BOF.K tj.,,^ eerst in zijnen ouderdom weder ontvangen IIoofdlT. ^^^^^^"i vaart liij uit tegen den woeker. De Benedic' na C. Cl. tyuen hebben , in hunne uitgaven , reeds aange- J^^^"^ ^_^' merkt , dat ambrosiüs hier veel, zelfs woordelijk, m • heeft overgenomen , uit eene Predikatie van basilius
den Grooten, over den XlVden Pfalm; ook hebben zij de echtheid van dit gefchrift tegen de bedenkin- gen van ERASMUS, uit eene aanlwling van hetzelve, bij AUGUSTINUS, verdedigd. Maar als zij, bij deze gelegenheid , zich verwonderen over de vrijheid , welke sALMASiüs (*) genomen heeft, om over de renten van een ander gevoelen te zijn, dan ambro- siüs, en voorwenden, dat de verdedigers der ren- ten even daarom het gezag van het Boek tobias in twijfel trekken, hebben zij meer eerbied bewezen voor hunnen Heiligen, dan wel oordeelkundige be- kwaamheid; en wat het gezag van tobias berreft, wien a:mbrosius eenen Profeet, en het Boek Pro- fetisch noemt, daaromtrent beflist het oordeel van dezen Kerkvader, wegens zijne onkunde in de He- breeuwfche Taal en Geleerdheid, weinig of niets, ook haak zijn werk niet bij dat van gregorius van Nysfa ^ over het zelfde onderwerp (f)
Het tweede dezer faamgeftelde gefchriften ( § ) heeft, in de Handichriften , cenige gapingen. Hier in onderzoekt hij wel den woordelijken zin van
NO-
( * ) D^ foenore Trapezitico en in andere fchrifien.
( f ) Zie boven Bladz. 33.
([§) Z)ff A'tfff et aren pag. 227-2;'8. /. c
GESCHIEDENIS. 63
NOACHS gdcliicdenis , zoo ver lieiii dit, bij zijne III gcbreldijke Taalkennis, mogelijk was, maar dra bc- ^^'^ geeft hij zich tot den zoogenoemden hoogeren ofHouldft. leenlprcukigen zin , die bij hem de hoofdzaak is, "^ C. G. De ark is hem dus ccn beeld van het menschlijk [^^ ^^J* ligchaam , en onder anderen betekent de deur , wel- ■
kc in de zijde der arke gemaakt moest worden, dat deel des ligchaams , door hetwelk de fpijzcn uitge- worpen worden enz.
Ondcrtusfchen werd amchosius fteeds meer en Zijne meer in de twisten met de Arianen ingewikkeld, ^^^f'^* Alhoewel gratianus hem tegen dezelven onder- den tegen (leunde, hadden zij echter aan de Keizerin justi- '^'^■^"a- NA, 's Keizers Stiefmoeder, en Moeder van zijnen Broeder valentinianus , eene aan hun Ieerfl:eliel gehechte en zeer werkzame befchcrmfler. Onder an- deren zocht zij, omtrent het jaar 380, het aanzien- lijk Bisdom van Sirmium^ Hoofdftad van Illyictim^ hetwelk de Arianen reeds voorheen ingenomen had- den, weder aan hen in te ruimen; en zij fchijnt toen zelve in deze llad geweest te zijn. Maar am- EROSius kwam ook derwaards , het zij uitgenoch'gd van de KathoUjke Bisfchoppen van dit Gewest , of door zijnen eigenen ijver gedreven , om de verkie- zing van eenen Katholijken Bisfchop te bevorderen. Trouwens, de uitdrukking van paulinus, (^ad or~ diriatidtm ) ( * ) , geeft toch meer te kennen , dan de enkele inwijding van anemius , waar in hij zijn oogmerk bereikte. Vergeefs wilde hem het volk te
Sir~ (*) rUa S. Amhrofii p. IV.
£»JI-i
•.«,lijc t • 1 t i
1 I t I r I f
Tt «^-
|
"SJI |
|
t'^^^^^^^^l |
62
K E K E L rj K E
(l
heid , dat tobias jid uitgeleend , en zonder ren- ten, eerst in zijiii ouderdom weder ontvangen Hoofdrt l'^^ftj vaart hij uit igen den woeker. De Benedic- na C. G. tynen hebben , in liunne uitgaven , reeds aange-
III
BOF.IC
Vin
f^ Itf merkt ^^'^ 470.
— heeft overgenomen
lot
dat AMBRO; js hier veel , zelfs woordelijk , lit eene Predikatie van basilius den Grooten^ over en XlVden Pfalm; ook hebben zij de echtheid van lit gefchrift tegen de bedenkin- gen van ERASMUS. -lit eene aanh^iling van hetzelve, bij AUGUSTiNus, rdedigd. Maar als zij, bij deze gelegenheid , zich /erwonderen over de vrijheid , welke sALMASius ) genomen heeft, om over de renten van een am • gevoelen te zijn, dan ambro- sius , en voorwen n, dat de verdedigers der ren- ten even daarom ;t gezag van het Boek tobias in twijfel trekken, ebben zij meer eerbied bewezen voor hunnen Heil m , dan wel oordeelkundige be- kwaamheid; en w; het gezag van tobias beti'cft wien ambrosius cien Profeet^ en het Boek P fetisch noemt, da omtrent beflist het oordeel dezen Kerkvader, egens zijne onkunde in de^ breeuwfche Taal '. Geleerdheid, weinig of ook haalt zijn w c niet bij dat van gre* van Nysfa , over ! : zelfde onderwerp ( f )
Het tweede de; • faamgeftelde gefchriftei. heeft, in de Hanci hriften , eenige gapingen. in onderzoekt hij vel den woordelijken zin
A 1^
^ W.
i
(*) De f oenore lapezitico en in andere fchrifcen.
(t) Zie boven 1'clz. 33.
(§) Z)e Nse ei c~a pag. 227-278. /. c.
i\.
K*
■■"&ea ■&'
■••'• üaiigi.
"'Ordelijk^
"■'"JÜS
■ vi
iTiM, . -3 ova de
, èn AMBHO
asn der ren* \^ mm
'cètreft,
■ é m
.ie He.
.[ niets,
■.:i(l) •. Hiet
zin V23
9ft
GESCHIED, NIS.
NOACHS gefchiedenis , zoo verhem dit, bq gebreklijke Taalkennis, mogelijhvas, maar dra be. fiotg geeft hij zich tot den zoogenjmdcn hoogeren ofu^^^^ leenfpreukigen zin , die bij liei de hoofdzaak is. t\°c!^ ^ Be. ark is hem dus een beeld van het mens'chlijk ^^^^ S63. ligchaam, en onder anderen betient de deur ^ wel- ke in de zijde der arke gemaaktmoest worden, dat deel des ligchaams, door hetwlv de fpijzen uitge- worpen worden enz.
Ondertusfchen werd amcr.osjs fleeds meer en Zijne meer in de twisten met de rianen ingevviklvcld. ^^^rk»
Z3
Alhoewel gratianus hem te|n dezelven onder- d' fteimde, hadden zij echter aaqde Keizerin jus : r- * NA, 's Keizers Stiefmoeder, eiiMoeder van zijnen Broeder valentinianus , een» aan hun leerftelfel gehechte en zeer werkzame befcermfler. Onder an- deren zocht zij , omtrent het jaa 380 , het aanzien- lijk Bisdom van Sirmium^ Hoofdad van Illyricum^ Iietvvelk de Arïanen reeds voorlen ingenomen had- den, weder aan hen in te rimen; en zij fchijnt toen zelve in deze ftad geweest;e zijn. Maar am- EROSius kwam ook derwaards jjhet zij uitgenodigd van de KathoUjke Bisfchoppen kn dit Gewest , of door zijnen eigenen ijver gedr^n, om de verkie- zing van eenen KathoUjken Bisftiop te bevorderen. Trouwens, de uitdrukking van^AULiNUS, (^ad or- clinanditm ) ( * ) , geeft toch mer te kennen , dan de enkele inwijding van anemiu, waar in hij zijn oogmerk bereikte. Vergeefs wik hem het volk te
Sir- (*) Fifa^S. /ïmbrofii /. IV.
.\1 Tl
64 K E R K E L IJ K E
III Sirwiiim^ hetwelk ook Ariaamch gezind was, uit BOEK j}^ i^crk drijven. Hij beweerde niet alleen, dat de Hoofdfl. verkiezing daar in gefchieden moest; maar kreeg na C. G. ook, als men zijnen bewonderaar paulinus geloo- Kt \r6 ^^" ^"^ ' ^^'^^ ^^^ wonderwerk , de Godrijke goed- - ■ - keuring. Als hem eene Ariaanfche juffer van den Bisfchoppelijkcn Zetel naar den kant, waar de vrou- wen (tonden, zocht weg te dringen, die reeds ge- reed waren, om hem te mishandelen, zeide ambro- sius zachtzinnig tegen haar, dat hij wel een zoo gewigtig Priester- ambt niet waardig was; maar dat het ook voor haar en hare levenswijze niet voegde, aan den gcringfben Priester geweld te pleegen; zij mogt veel liever voor Gods oordeel vreezen, opdat haar niet iet kwaads bejegende. Kort daar na ftierf zii , en AïMBROSius geleidde haar naa het graf. Het gebeurde waarfchijnlijk om dezen tijd, dat gratia- Nus , ten gevalle van zijne Stiefmoeder , aan de Ka- thoUjken te Mediolanum ^ eene Kerk ontnam, maar welke hij hun, zoo als aisibrosius fchrijft (*j, na- dat hij hun geloof daar door beproefd had , heel fpoedig terug gaf. Zijn Boek Des te minder wilde anbrosius thans uitftellen, over den ^j^ \^^^ onderwijs over den Heiligen Geest op te 'ftellcn, hetwelk hij aan dezen Vorst, op zijn drin- gend verzoek , beloofd had. Dus ftelde hij , in het jaar 381, zijn uitvoerig werk over den Heil. Geest op, in drie Boeken (f). Li het tweede Bock van
dit
(♦^ De Spir. S. L. \. C. I. />. ^04.
(t) De Spiritu S. Libri lil. T. II. Opp. />. 5pp-5o2.
GESCHIEDENIS. (^5
dfit werk, fprckcnde van de aanbidding van God in m geest en waarheid, zegt liij: Wij aanbidden nog ^''/^''•j heden het vleesch van Christus , bij den verborgen Hoc»rdft. of geheimen Godsdienst , of geheime plegtigbedcn , "^ C. G. {til inyjieriis ^') hetwelk ook ^z Apostelen in jiisus ^^j ^J*^
aangebeden hebben. Want hij is niet gedeeld, maar
één ecnigc; bij de aanbidding des Zoons van God wordt, die uit de Maagd geboren is, niet verloo- chend. Naardien nu de Verborgenheid ^ {Sacramen- tum , ) der Menschn'ordiug moet aangebeden wor- den; .maar deze een werk van den Heiligen Geest is; zoo moet men dezen ojk zonder twijfel aanbid- den. Deze plaats is édne van die , over welken de Roomsch- KathoUjken en Prote/lauten hevig getwist hebben, terwijl de eerftcn daar uit zoeken te bewij- zen, dat, reeds in de oudde Kerk, Christus in het Heilig Avondmaal , op zekere wijze , pleeg aan- gebeden te worden ; maar de Proteftanten ontken- nen, dat A!\iBROsius hier bijzonder van het Avond- maal fpreekt. Ondertusfchen ziet elk Lezer van zelf, dat de plaats gantsch niet duidlijk is, en over het geheel, zegt het weinig, welke ongekookte ge- dachten AMBROSius hier en daar in zijne fchrifren geflrooid heeft, die zoo vol zijn van Leen fp reuken , van Beelden , en geheimen zin ; ook weten wij , hoe ook andere Leeraars van dezen tijd , zuo als wif zelfs in ciirysostomus gezien hebben , door hun oogmerk, om toch bewondering en ontzetting bli zekere Godsdienflige Lecrftukken te verwekken, ge- legenheid gegeven hebben , dat min zich van de ccnvondige en liefderijke indelling vr.n ji-:sus vreem- IX. Dell. E de
66
K E il K E L ]] K E
III de den!cbcclden vormde. Ondertiisfchcn, is deze DOEK aanbidding, zoo vervolgt amdrosius hier, niet gc- Iloofdft "^^^^ ^^" ^^ Maagd i\iaria , als welke flechts een na C. G. Tempel van God is.
Jaar 363. ambrosius heeft voorts in dit werk alles bijëen-
tüt 476.
gehaald, niet alleen de gewone bewijzen voor de
Oordeel Y^cre van den II. Geest , onder welken fommigen doel- IonymÜs treffende zijn, maar ook een bijna nog grooter aan- daar over. tal van zulken , bij welken veel geloof nodig is , in- dien iemand zich door dezelven zal laten overtui- «•en. Over het geheel ontbreekt hem duidelijke orde en bevallige famer.hang, welke een onderwijs, voor eenen Keizer beftcmd, alleen bruikbaar kon maken. Nog veel fcherpcr is het oordeel, hetwelk mëao- TsjYiNius , over dit gefchrlft , in zijne voorreden voor het door hem vertaalde werk van didyaius over den Heiligen Geest ( * ) gcfproken heeft : „ Ik heb „ liever ," fchrijft hij , „ de Overzetter van eens anders werk willen zijn , dan , zoo als fommigen doen, even als de lelijke kraai mij met vreemde „ vederen op te fcliikken. Voor lang heb ik Boe^ ken over den Heiligen Geest van zeker iemand „ gelezen, en zoo als de oude Blijfpel - Dichter zegt, gevonden, dat hij, van een goed Grieksch „ werk, een flecht Latijnsch gemaakt heeft. Niets „ is daar in dialectisch, niets manlijk, en fcherp „ doorgedacht , lietwelk den Lezer ook zijns on- „ danks de toeftcmming zou kunnen aflringen; ,, maar alles is gemeen, laf, en laag, hier en daar
„ met (*) Ton:. IV. Opp. P. I. K-. ^c^'
G E S C II 1 n: o E N I S. 67
,, met ccn gezocht rcukjen betreken. Onze didy- ill „ MUS daartegen heeft het oog der Bruid in het ^^^J j, Hooglied. — Zeker, wie liem leest, zal de die- nootcüT. „ verij van C^tw Latljnfchcn Schrijver opmerken , "^ <^. G» „ en na begonnen te hebben nit de bron te fchep- '^J. \.}^^ „ pen, het geringe beekjen verachten." Over deze -
hevige berisping heeft rufinus hem naderhand , toen zij dien hevigen twist met malkanderen voerden» heel onzachte verwijten gedaan (*). Hij vindt het onverantwoordelijk, ccnen bij de Kerk zoo hooglijk verdienden en heiligen man, die zijn Boek met zijn bloed gcfchreven heeft, zoo hoonend en fchimpcnd te behandelen, en hij befchnldigt hicronymus, dac deze zelf origenes bedolen heeft. Wij hebben ook reeds in het leven van HiëRONYMus (f) ge- zien, dat de uitlegging van ainibrosius over lukas door hem , insgelijks , verachtlijk is afgefchilderd. Hier zijn nu de bewonderaars van ^^zo, beide aan- zienlijke Kerk -Leeraars recht in verlegenheid, hoe zij derzelver eer redden zullen; maar met dit alles blijft het waar, dat ambrosius het werk van nr- DYiNius (§) uitgefchreven , en niet min veel uit een Boek van basilius den Grooten (**), over het- zelfde onderwerp, overgenomen heeft, zonder hen eens te noemen.
Voorts fchcnen de Artancn , ten dezen tijde , door Zlijn Ijver
de
(*) Tnvect. in D. Hier. L. II. p. 434, T. IV. P. H, (t) Zie DeelNW. BI. 165. (§) Zie DeclV. Bladz. 1Ö4. (•*) Zie ViH Did, Bladz. 271.
E 1
65 K E R K E L IJ K E
lil de verklaarde gezüuiheid en wetten van gratianus ,
BOFJc j,j \■^^>l Westen , en door de nog nadruklijker plakaa-
lloufdlh ^^" ^'^" THEODOSius, tegen hen, in het Oosten,
ua C. G. zoo zeer nedcrgedrnkt te zijn , dat men den ijver ,
Janr 3 3- ^^^^^j. uj^Jq amkhosil's hen in het gemelde werk
tor 470. =*
L. beftreden heeft, bijkans voor overtollig kon acliten.
tegen de Het is waar, zij hoopten flechts op eene gnndige veriindering aan één der beide Keizerlijke Hoven, om zich weder te kiumen oprichten ; maar de lüi- iholijken bedienden zich van hunne tegenwoordige voordeden des te krachtdaadiger, tot eene geheele vernietiging van deze gezindte. Daar door werd onder anderen de Kerkvergadering te Aquihja, \\\ het jaar 38 1 te wege gebracht, in welke aimbro- sius zoo veel deel had. Wij iiebben reeds in de Gefchicdenis der Arianerij (*) gezien, dat gra- TiANus deze Kerkvergadering toeliet, wegens twee Arlaanfche Bisfchoppen in lUyricum , palladius en secundianus, die eene algemeene Kerkvergade- ring verzocljt hadden, omdat zij hulp van hunne geloofsgenoten in het Oosten daar bij verwachtten. AiMüROSius had den Keizer daarom deze algcmeene Kerkvergadering ontraaden, en bragt op deze bij- zondere de beide gemelde Bisfchoppen, door zijne \Tagen en gevolgtrekkingen, zoo ver, dat zi.) zich voor Ari'anen moesten verklaren , en zich , als zoo- danigen, door de vergadering moesten laten vcröor- deelen. Eenmaal echter deed hij in deze gcfprck- ken PALLADIUS onrecht, dat hij hem als een ver-
val- (♦) Zie Dcd VUL BUtch. 50.
GESCHIEDENIS. 69
valfchcr der Heilige Schrift uitmaakte , en een Iir Anathema over hem uitriep, omdat hij tot verkhi- ?^^j^!f ring der woorden : de Vader is meerder dan ik , de Hoofdf!. zending van Christus van den Vader toegepast "^ C. G. had (*). Misfeliien heeft ook ambrosius de drie [^^ ^-^[ Brieven van deze vergadering aan de Keizers gra- ■■»
TIANUS, VALF.NTINIANUS CU THEODOSIUS, OpgC-
(leld , waar in zij dezclven , voornaamlijk den eer- den, verzocht, Iiaar vonnis tegen de gemelde Bis- fchoppen in zoo verre te onderftcuncn , dat 'er an- deren in hunne plaatzen konden aangcftcld worden ; andere Ketters insgelijks in toom te houden; n-m URSiciNus, tegenpartij van den Roomfchen Bisfcliop DAMASUS , hunne befcherraing te onttrekken ; als ook om wegens de voortduurende onrusten in de Gemeenten te AntiarhVè cu Alexandri'è^ in de laatst- gemelde flad, eene algemeene Kerkvergadering te houden (f).
Nademaal ambrosius van de genegenheid van Aanzien GRATIANUS ZOO zeer verzekerd was , zag men hem ^ "" ^^'^' niet zelden aan deszelfs Hof te Mediolanum , met ^^^\ ^.,,^, ^eker vertrouwen , verfchijnen. Daar was wel aan tiawus. het Hof zeker aanzienlijk man , die zeer geneigd was tot omkoping en onrechtvaardigheid, imacedo- Nius, die hem déns den toegang weigerde, als hij bij den Vorst eene voorbede voor iemand doen wil- de.
(^*) Qeita Concilii Aquikjem. in Hard. Act. Concilier. T. I. p. 830. ook in AMBROsn Opp. T. II. p. j^^.
(t) Ap. HARDUIN /. c. p. S35. in AMBROSn Opp. l. c. fag, 806. fq.
E 3
70 K E R K E L IJ K E
III ile. Docli, volgends paulinus (*), dreig.le am- Bor.ic caosius hem tcrftond, dat hij ook eens tot do Kerk Hoofdft. komen, maar geen' ingang tot dezelve vinden zou; na C. G. en dit werd , na de dood des Keizers , op eene tot 1-6 ^vondcrbare wijze , vervuld. Want thans poogde »■ iMACEDONius in eene Kerk te vluchten; maar hoe-
wel de deuren openftonden , was hij niet in ftaat , om binnen te komen. Natuurlijker, en tevens lof- lijker voor hem, dan zulke gewaande wonderen , drong AMBROSius, in een ander geval, (ten zij het misfchien hetzelfde was , ) tot den Keizer door. Een voornaam Heiden had van den Keizer verüch- tclijk gefproken , en was daarom ter dood veroor- deeld. Toen hij wcrklijk gerecht ftond te worden, fpocdde AMBROSIUS zich iiaa het Keizerlijk Paleis, om genade voor hem te verzooken. Dan de vijan- den van dezen Heiden hadden juist ten dezen lijde den Keizer tot een jagtvermaak in de nabljliggende diergaarde overgehaald; dus wilde niemand hem bij den Keizer aandienen. De Bisfchop ging fchielijk naa de achterdeur, kwam met de jagers binnen, en hield niet eer op, den Keizer te fmeeken, vóór dat deze aan den ongelukkigen het leven gefchonken had ( t ). ZijnBoek Mcnigmalen werd ambrosius in de twisten van over de ^linen leeftijd ingewikkeld. Twee Ariaanschgezindc wording Kamcrheeren des Keizers (§), begeerden van hem,
dat
(*) Fif. Ambrof. n. 37. pff^c;. X.
(t; sozoM. fjisi. Eccles. Libr. Vil. Cap. 25.
CS) Volgends veihaal van i'auunus, /, c. p^ V,
GESCHIEDENIS. 71
(lat liij, in ceiic Predikatie, die zij wilden bijwoo- III ren , ecnigc vragen over de Mcnschvvording van ^^"yS CHRISTUS beantwoorden wilde. Hij beloofde dit,Hoofdfl. en wachtte met eene menigte Toehoorcrs op liunnc "" C. G. komst. Maar zij reden veeleer de (Tad uit , doch Iq[ 4-^*
werden ook fpocdig voor deze trotschheid gcftraft,
dewijl zij van het rijdtuig vielen, en het leven ver-}?" looren. ambrosius hield evenwel zijne Predikatie over de voorgedeldc vragen ; en toen hij dezelve uitbreidde, ontftond daar uit omtrent het jaar 382 een bijzondei,'' Boek (*}. lu dit Boek komt weder eene plaats voor, over welke, met betrekking tot de leere van het Heilig Avondmaal , getwist is ge- worden. Alhoewel gij, zegt hij, gelooft, dat Chris- tus het waare vleesch aangenomen heeft, en gij zijn ligcbaam op de altaren ter verandering offert , (^offeras transfJguratidttm corpus aJtaribus ^^ maar de natuur der Godheid en des ligchaams niet van eikanderen onderfcheidt , zoo zondigt gij door eene fout in het deelcn, zoo als kaïist. Men kan hier nog eene plaats bijvoegen, uit een ander werk (f), alwaar hij van Sacramenten fpreekt, welke door de verborgenheid des Heiligen Cehcds in vleesch en bloed veranderd worden^ (in carncm transfigurantur et fanguinem;^ als ook eene derde, de echtheid van het Boek onderfteld zijnde , waar in zij voorkomt (5),
in
(*) /)c Incarnntionis Doviiniae Sacrainento Liher , T, II. 0/>/>. pag. 703-732-
(t) Z)e Vide Libr. IV. Cap. 10. pag. 543. (l~) De Myfteriis Cap. 9. Tom. II. pag. 338.
E 4
t -
K R R K E T, IJ K R
\\\ in uclke, nadat hij van het gebruik des Vigchaams
^V' " rrïw cMtiisTUS gefprokcn heeft, aan de wijding door
IlooCdft ^^•*^" zegen eene zulke kracht wordt toegefchreven ,
WW C. G. dat zelfs de natuur daar door veranderd worde.
)r:'r 303 Qi^tid-msfchcn bUjft de groote vraag, of ambro-
. 1- sius, bij deze en foortgeUjke fpreek wijzen , wel iet
bepaalds gedacht hebbe? Men kan 'er zoo min uit bewijzen , dat hij ccnc eigenlijke verandering der zelfflandigheden bedoeld hebbe, als uit dergelijke woorden bij de Griekfche Kerk - Leeriiaren , die zich toch bij andere gelegenheden duidlijk verklaren, dat brood en wijn in het Avondmaal blijven, Ziincb^^- Ten zelfden tijde, moest ambrosius ook deel ne- trckking ^^..^ jii ^^ Kerkelijke belangen der Oosterlingen. In Ooster- de Gefchiedenis der Arianerij (*) heeft men gele- fche Ker- ^cn , dat 'er twisten plaats hadden in de Gemeenten '^"' van Kouftantinopolen en Antiöchie^ wegens welke
hij, met verfcheidene Italiaanfche Bisfchoppen, de Bisfclioppen , die in deze Keizerlijke Hoofdftad ver- gaderd waren, op eene algemecne Kerkvergadering te Roive bijeengeroepen wenschte te zien. De twee Brieven , welke hij, in het jaar 382, met zijne ambt- genoten, met dit oogmerk aan den Keizer theodo- sius afvaardigde, zijn in de verzameling van zijne Brieven geplaatst (f). Deze, met eenigen nadruk aangedrongen flap, werd niet ten besten opgeno- men; intusfchen ontfchuldigden zij zich beleefd ge- noeg, dat zij de Kerkvergadering, welke in dit jaar
daad-
(♦) Zie Deel VIII. Bladz. 51.
(I j £/>. Xlil. f. 814. £/-. XIV. p. 817. T. II. O//,
GESCHIEDENIS. 73
(Inacilljk te Rome gehouden werd, niet bijwoonen III
konden (♦). ambrosius was op dezelve tegen- 1J^''.'5
woordig, maar zij deed nog Hechter uitwerking, Hoofdfl.
dan de voorgemelde Brieven, paulinus vertoont "^ C- ^*
hem hier weder als eenen Wonderdoener; cene lam- J^i' %^^\
me vrouw werd genezen, nadat zij enkel zijne klc •
deren gckuscht had (f).
Doch juist toen ambrosius de genegenheid en Dood van
het vertrouwen van den Keizer gratianus het vol- "
zer GiiA-
maaktst genoot, en zich waarfchljnlijk ook van zij- tiakus. nen invloed op denzelven bediende, om het Heiden- dom te Rome nadruklijk te beperken , werd hij door des Vorsten dood in den zomer van het jaar 383 buiten '2;emeen bedroefd. Deze Keizer voerde ccucn ongclukkigen oorlog in Gallien , met maximus , die zich tot Keizer had opgeworpen; hij werd van zij- ne Soldaten verlaten, en van de vijanden te LtigJu- tinm^ thans Lions ^ omgebragt, toen hij eerst zijn XXIlle jaar bereikt had (§). Nog in zijne laatfte uuren vergat hij ambrosius niet; maar riep meer- malen om hem , waarfchljnlijk , om hem in de dood bij te flaan (**). ambrosius, voornaamlijk getrof- fen door het verlies , hetwelk de KathoUjke Kerk
daar
(*) THEODORCT. Illit. Ecclcs. L. V. C. 8.
(t) ^'^'^' Aiubrof. iu \Q. p.\\\. «~
( $ ) A?.ii;nos. Ev.arrat, in Pfalm. LXI. T. I. Opp. p. 961-9Ö3. zosiM. Hist. L. IV. p. 249. OROS. Hisi. Libr, VII. C. 34. PROSPER et MARCELLiN. Ut Chroti. ad h. a. socR. H. E. L. II. C. II, soz. L. VII. C. 13.
(**) AMBROS. de cbitu Falcnt.confolatis T. II. />. I195.
E5
74
K E R K E L IJ K E
iri daar iloor geleden iiad, {lichtte hem meer daii déii Bor,K gedenkteken van liefde en hoogachting; voornaam- Hoo'fdft. lij'^ "^ ^^"'^ Redenvoering , ter gedachtenis van 's Kei- na C. G. zers Broeder valentiniaan IV- t r l-ó' •^^^ dezen jongen Vorst van twaalf of dertien jaa-
ren was thans de rcgcering van het Westen vcrval-
AMBRosi- jg,^^ Waren het gezag en de magt van zijnen Broe- zantichnp ^^r reeds gering geweest , thans hadden ontftcltenis bij MAXI- en verlegenheid aan het Hof volkomen de overhand, ^^^^' daar de onverwachte dood des Keizers, en het ver- lies van Britannië en GaJli'én ^ welke zich reeds in de magt van maximus bevonden, ook voor Italië alles deeden vreezen. De Keizerin jusïina, alhoe- wel niets minder dan ccnc bcgunftigricr van ambro- siüs , nam nogthans , in deze ongelegenheid van haren Zoon, tot hem haren toevlucht. Hij ontving den Vorst, gelijk hij zegt, uit hare armen in de zijne ; gereed om alles tot zijne veiligheid en rust te wagen (*). De hoofdzaak was, maximus van het verder voortdringen in des Keizers gebied terug te houden , en een vergelijk met hem te treffen. Ten' dezen einde nam ambrosius een gevaarlijk gezant- fchap op zich, waar toe hem zijne ervarenheid in Staatszaaken en zijne welbefpraaktheid vele bekwaam- heid gaven ; maar de zoo hoog vereerde Bisfchoppe- lijke waardigheid ook de verüischte vrijmoedigheid
fchonk.
In de daad handhaafde ook ai^ibrosius zelfs aan dit vijandelijk Hof een gedeelte van het aanzien,
het-
(*) Z)^ obilii Fülent. confolat. l. c. p. 1 1 S2.
GESCHIED K N I S. 7$
hetwelk hij tut liicr toe bij zijne eigene Vorsten be- III zeteii had. Toen hij daar aangekomen was, zeide ^^^^^ i\iAxiiAius tegen hem, dat valentinianus bij hem Uuofdd, had behoren te verfchijiicn , als een Zoon bij zijnen "^ C, G. Vader, ambiiosius antwoordde, dat het een onbil- ^qJ' .J^^
Jijke eisch was , dat een Kind , met zijne Moeder , —
eene weduwe, in den harden winter, over de Al- pen zou reizen ; dat hem geen andere last gegeven was , dan om den vrede te fluiten. Ondertusfchen moest hij zoo lang bij maxiimus blijven , tot dat de Gezant , wien deze naa Mediolamim gezonden had , terug gekeerd was ( * ). Thans kwam de vrede tot Hand, bij welken maximus, naar het fchijnt, be- halven de bovengemelde Gewesten, ook nog Spanje verkreeg, Naderiiand befchuldigde hij den Bisfchop, dat deze hem misleid had, terwijl hij hem had afge- Jiouden , om in liali'é te dringen , en den jongen Keizer, om tot hem te reizen; waar tegen ambro- sius zich zeer wel wist te verdedigen (f). Hij had ten minften , door zijne onderhandehngen , zeer veel tot redding van zijnen Vorst toegebracht; en wanneer rufinus (§) verzekert, dat valentinia- nus den vrede, met dezelfde geveinsdheid, hebbc aangenomen , met welke maximus dien aanbood , £00 is het alszins vvaarfchijnlijk , dat ambrosius , voor alle dingen, alleen tijd heeft zoeken te winnen, opdat VALENTINIANUS zich beter in flaat zou kun- nen (lellen. Den
(*) AMDRos. Ep. XXV. T. II. Opp. p. 889,
(t) /. c. pag. 889, 8pD.
(*} Wit. Ecdcs. l,:ii:\ XI, Cnp^ 15.
76 K E R K E L IJ K E
III Den korten tijd van rust, welke hier op voor de
BOF.K ]^^,.|; en Staat volgde, befteeddc amcrosius werk-
VIII o 7
Hoofdft. za^i" ï op velerleië wijze. Men vindt fpooren (*), nn C. G. dat hij , omtrent het jaar 384 , de ergerlijke gewoon- tcn I76 ^^ hebbe afgeCchaft , om op en bij de Graven der i Martelaren, in en buiten de Kerken, te eten en te
AMBRosi- di-jui^cn. Misfchien had gregorius de fVonderdoC'
VS fclinfc
de ge- ^^^ ^^ eerlte aanleiding tot deze gewoonte gegeven,
woontanfdoor zijn verlof aan den gemeenen hoop der Chris- pclngen^ tenen, om op de gedenkdagen der Martelaren ver- op de maak en uitfpanning te nemen (f). Ook was het, d^M^ honderd jaaren na hem , reeds op vele plaatzen , tclnren te ccnc gewoonte , dat inzonderheid de landlieden op die houden. g,-aven geheeie nachten lang dronken ; welke dwaas- heid PAULiNus van Nola flechts eenigzins wilde verbeteren , door het ten toon fbellen van Bijbelfche Schilderijen (§). Maar deze gewoonte klom van er- ger tot erger in buitenfpoorigheden ; zoodat , volgends AMCROSIUS (**), menig één geloofde, dat zijn ge- bed niet zou verhoord worden, indien hij zich bij de Graven der Martelaareii niet bedronken had; maar zcdcrt hij deze ergerlijke gewoonte te keer ging , werd zij ook door andere Bisfchoppen , in en buiten Italië^ afgefchaft. AUGusTi- Om dezen tijd gebeurde het ook, dat augusti- 2^'^^^JJ Nus, tot hier toe een Manicheër^ en zcdert onlangs
Leer-
(*) Bij AUGUSTIN. Conft'ff. Libr. VI. C^'/>. 2.
(t) Zie Deel IH. Bladz. 227.
C§) Zie Drcl V, Bladz. 190.
(5) /)f Elia et Jejunio C. XVII. T. I. Ohp. p. 545.
GESCHIEDENIS. 77
Lecraar der Wclfprckciulliciil ie Mediolanum ^ na m dcrhaiid déii der aanzien 1 ij kftc Lceriiars der Katholij- "^^^"J ke Kerk, tot dezelve lieverlede door het voorbeeld Hoüfud. en onderwijs v;ni amurosius overgehaald, en ook na C. G. eindelijk van hem gedoopt werd. INlaar dezelfde bc- jj^j ]: Jg*
roemde Staatsman, van wien augustinus naa Me-
diolannm gezonden was, symmachus, die, in het S^^^^f^Pf* jaar 384 , Stadhouder van Rome , (Prxfcctm Urhi ,) '^'5 \\\\'ix. en één der laatfle fteunpilaaren van het Heidendom meisYM- iii deze Hoofddad was , gaf aan aimerosiüs gele- o^!^er den genheid , om zijnen ijver tegen dezen Godsdienst Altnrir der zeer levendig te laten blijken f*)- oratianus had ^^'^rwm- den Altaar der Overwinning in de Romeinfche Cu- ria, of Raadhuis, welke reeds eens was weggeno- men geweest, wederom laten omwerpen, symma- chus , en andere Heidenfche Pvaadshecren met hem , kwamen op, om daar vertoogen tegen te doen; maar hunne veel talrijker Christelijke Medeleden lie- ten door den Roomfchen Bisfchop damasus aan AMBROsius een tegengedeld verzoekfchrift ter hand ftcllen, waar door zij het verlangen der eerstgemel- den te leur ftelden (f). Thans, nu de mindeijaa- riffheid van valentiniaan en de verwarde flaat van zijn Rijk meer infchiklijkheid beloofde, verza- melde SYMiNiACHUs alle de kunst zijner welfprekend- heid in een verzoekfchrift aan den Keizer, om de herftelling van gemeldcn Altaar, en andere aan de Heidenen ontnomcne rechten en inkomllcn. Dit vcr-
zoek-
(*) Vergel. Deel V. BLuh. 13.
Ct) AMUROS. Ep. XVII. 'f. 11. Oöp. p. Z26. '
73 K E 11 K E L IJ K E
III zückfclirift (laat ook onder de Brieven van ambro- Boi.K 5j^.j5 ^♦-^^ Naamvlljks had ambrosius vernonicn^ Hoofdih ^^^ i^c'i ^i^ ^^" Keizer had overgeleverd , of hij le- na C. G. verde een ander daiir tegen in (f), waar in hij al- tf't^ 4-6 ^^^ aanwendde , om hem tot een weigerend ant- -i woord te bewegen. Hij noemt den Keizer daar in
den ^UerchristelijkJIen , ( Christiatiisfimus , ) en zegt onder anderen: „Bovendien is het eeneGodsdienst- zank; ik neem 'er met de Bisfchoppen deel aan. Wordt 'er een (Irijdig befluit genomen, dan kunnen wij dit niet geduldig verdragen; of ons daar bij on- kundig houden. Gij kunt wel in de Kerk komen , maar gij zult daar geen' Priester , of ten minflen te- genftand van denzclven vinden." enz. In dit vc-r- zoekfclirift had hij te gelijk om een affchrift ver- zocht van dat van symmaciius, en dit bekomen hebbende, flelde hij nog in het jaar 384 cene bij- zondere wederlegging van hetzelve op (§). D>.ze beide opftellen werden in den geheimen Raad den Keizer voorgelezen; en alhoewel in denzelvcn ook Heidenfche Raaden waren, kwam valentinianus evenwel in het gevoelen van asibrosius (**). Schriften Het wordt ons uit verfcheidene fpooren blijkbnr:r, van AM- dat ambrosius in het jaar 383 of in één der beide ten dezen "^^'S^"*^^" ' weder Bijbelfche werken onder Iianden tijde. genomen heeft. Men rekent tot dezen tijd zijne vier
Boe* ( * ) Ton:. II. Opp. pag. 828. (t) EpUt. XVII. pag. 824. (§) Epht. XVII I. pag;. 833.
(**^ A^M-JROS. Epiit. LVII. />/7g-. lOIO
GESCHIEDENIS. 79
Bosken over de kJagten van yob en Da viel (*) , welke ITI
waaifchijiiliik uit Predikaticn ontdaan zijn. De ze- '''^'-'^
V 1 1 f denleer in dit werk is vrij draaglijk voorgcllcld. Hoofd (1.
maar de Bijbclfche Uitleggingen zijn daartegen dik- ''"'' C. G. wijls onzeker en willekeurig. -{^^^ ^ ?*
In den omtrek van dit jaar heeft aimbrosius ook ■
waarfchijnlijk zijne verantwoording van David (f) opgedeld , welke hij in Kerkrcdencn had voorgedra- gen. Van DAViDS zware zonde fprckende, merkt hij aan, dat het nuttig was, dat zelfs Godzalige lieden fomtijds misdappen begingen. l\Jen zou hun anders, als het ware, eene Godlijke natuur toe- fchrijven; zij zelven worden daar door vermaand, om hunne uitmuntendheid niet aan zich zelven, maar aan God toe te fchrijven. Zou ook niet de Heilige david , als een zich oefenend ftrijder , van God beproefd zijn geworden , hoe hij ■ zijne fouten wist te verbeteren, opdat ons dit tot een voorbeeld zou dienen? Maar volgends ambrosiüs, ligt ook in deze Gefchiedenis van david zelfs een voorbeeld. Wat hindert ons te gelooven, dat bathseba de vergadering van Heidenen betekent , welke met CHRISTUS door geen rechtmatig huwelijk des geloofs verbonden is? De waare david en eeuwige Konina: kwam daarom heimlijk , om den Vorst der "Wereld , als URiAS, (dat is, mijn licht ^ omdat hij zich ver- andert in een' Engel des lichts,) te misleiden; zoo
kAvam
(*) De FutcipcUaiione jfob et David Llbri IV. To:!i. 1. Opp. pag. 625-672.
(t) ^pologia Propheta David l, c. p. 675-704.
8o K E P. K E L IJ K E
ni kwam hij in de Wereld als een overfpecicr, om zijn
r.or.ic o;c2;rond recht te handhaaven enz. — Op deze ver- VIII Hoofdfl. J^ntvvoording van den hra'èlitifchen Koning, die,
nn C. G. gelijk men ziet, haar goed en haai' kwaad heeft,
;V.r i-^* volgt onder de werken van ambrosius nog cene toe 47Ö'
tweede verdediging van david (*), die omtrent ge-
lijkfoortig is, en van welke men met grond ver- moedt, dat zij van laater tijd en cene nabootzing van het gefchrift van ambrosius is. AMBRosi- AMBROSIUS had zicli , door zijn gezantfcliap aan usv'jrzet j^j^^^iMUS, zoo verdiend gemaakt bij het Hof, ook de Keize- was de toeftand van het Rijk te zorgelijk geweest ,
rin.iusTi- ^r^^^^ l^j^t de Keizerin jusTiNA , hoc zeer cene voor-
"NA * over
liet'toc- fi;andfier der Ari'dnen ^ echter iet durfde ondcme-
wijzen men, hetwelk eenige bewegingen zou kunnen ver- Kerk nan wekken. Doch in het jaar 385, waagde zij ecncn tleA'.ia- ftap. Behalven hare Hof bedienden en Gothen ^ wa- "'■'"• ren 'er bijna geene Aricinen te Blediolanuin ; zij had-
den 'er dus geene bijzondere Kerk, maar wel hun- nen eigenen Bisfchop, auxentius. justina be- geerde , dat AMBROSIUS aan dezen eenc Kerk buiten de ftad zou inruimen; dit weigerde at^ierosius, waar uit in dit en nog ééns in het volgende jaar, cene groote gisting te Mediólanum ontftond Cf)*
Dat
(*) Apohgia altera Pvophette David l. c. p. 707-734.
(t) Men zie Deel VIII. BI. 56. ambrosius verhaalt het geval wijdlopig aan zijne Zuster, in cencn Brief, Epist. XX. pag, 852-859. Vergel. Epist. XXI. ad la- leiit. Imp. p. 8Ö0. Servio contra Auxeniiusn de B af Ucis tradcudls p. 8Ö3. Ep. XXII. ad fororcm p. 874.
GESCHIEDENIS. Sr
thit lic Keizer of Keizerin eene Kerk begeerde voor ITI die gczimlte , welke hij, of een deel van de Keizer- ?5":'5 lijke familie , was toegedaan , was op zicli zelf niet HoofdH. onbillijk ; dat hij eene Kerk van de Kntholiiken be- "'^ C. G. geerde , kon zeker onbillijk fchijnen , maar de Aria' \^^ . -^[
ven beweerden , dat toch de Kerken hun te vooren
ontnomen waren. Als ambro.sius 'er eene gewe- tenszaak van maakte, om eene Kerk van zijne Ge- meente aan de vijanden van het vvaarc Geloof over te geven, en men hem onder het oog bracht, dat alles des Keizers eigendom was, gaf hij, in plaats van deze ftclling behoorlijk te bepalen , Hout weg ten Antwoord : „ De Keizer heeft geen recht op „ het eigendom van God. 'Er ftaat gcfchreven: „ geeft den Keizer, wat des Keizers, en Gode, „ wat Gods is. Den Keizer hooren de Paleizen „ toe, maay den Priesters de Kerken;'''* en als men hem de woorden des Keizers overbracht: „ Ik „ moet ook eene Kerk hebben," zeide hij: „ Gij „ moogt die niet hebben. AVat hebt gij met eene „ overfpeelrter te doen? \A'ant die Gemeente is „ eene overfpeelfter, die niet met christus door „ een rechtmatig huwelijk verbonden is. " Deze heerfchende en onfluimige denkwijze van.AMBROSius gaf, in den grond, aanleiding tot den oploop des volks , hetwelk gereed was , de KathoJijke Kerken , met geweld, te belchernien. amrrosius verklaarde zich wel gewillig, om voor de overmagt te wijken^ en alles, zelfs zijn leven, vour de Kerk over te ge- ven; het is waar, dat hij God bad, dat het, om dezen twist, niet tot bloedvergieten mogt komen; IX. Deel. F het
Ta'-%ft
:*-*
82
KERKELIJKE
»fc
*^. *
(■^•w'S.^
1
»^'V
'T *^
.# •
lil het is waar, dat hij tranen flortte , toen het graamv
Boi'.K ccnen Ariaanfcken Ouderling gevangen had gcno-
Hoofda. iï^^"5 ^" ^^^ ^''y ticnzelven terllond weder in vrijheid
na C. G. lieed ftellen. Ivlaar toen het Hof van hem bcgecr-
^i A-'ó" ^^ > ^^'^ ^y ^^' ^^^'^ "^ ^^^^ ^°" houden , gaf liij ^ ten antwoord, „ dat het hem toekwam, liet volk
5, niet op te zetten, maar dat het in Gods hand 5, flond, om hetzelve te ftillen (*)." Evenwel was zijn voorbeeld, en zijn driftig fpreken, reden genoeg, ora een vuur te ontfleken, hetwelk aan dui- zenden het leven had kunnen kosten , indien het Hof niet toegegeven had. In plaats van het volk tot gehoorzaamheid te vcrmaancn, was hij flout ge- noeg, om fchimpende hekelingen tegen de Keizerin op den predikftoel te gebruiken, ook fprak hij van verzoekingen des Duivels , waar aan de Gemeente was blootgcftcld , gelijk weleer jon. Hij weigerde ook in des Keizers geheimen Raad een gefprek te liouden met den Ariaanfchen Bisfchop auxentius , hetwelk hem door den Vorst geboden was. Inte- gendeel hield hij tegen denzclven cene fcherpc Pre- dikatie, waar in hij het volk inprentte, dat de Kei- zer in de Kerk , maar niet hoven de Kerk is, enz. Eindelijk nam deze zaak eene voor ambro- sius en zijne partij gunftige wending, door het ont- dekken van de ligchaamcn van twee Martclaaren , CEiivASius en protasius, in cene Kerk , in het jaar 386, hetwelk naa cene vuurige roorbereidifig en verwachting gebeurde, gelijk hij zelf het ver- haalt (*) /. c. pag. 855.
/f'-
è'
^ ^
^ *k %
' ''-^M *• * < '^
Mi gaf iii)
iir
Eor.ic VIII
G E S C IT I E D E N I S. 83
haalt (♦). Ilicr over behoeft men zich niet zeer
te verwonderen, dan misfchien over de fchrander-
heid van den Bislchop, die van dit geval gebruik Hoofdh.
wist te maken , indien anders iemand verwondering "^ C. G.
verdient , die in (laat is , met zulke wapenen te ^q^ ,_^|
ftrijden. Zeer natuurlijk toch kon men vermoeden , -»- ■
dat in eene Kerk , in welke reeds beenderen der Martclaaren felix en ];^'abor lagen , nog racer Christenen uit de tijden der Maitelaren begraven la- gen; het volk riep om zulke overblijfzelen , ten ci\i- de daar door de inwijding der Kerk des te eerwaar- diger te maken, ambrosius gaf 'er zijne toeftem- ming aan; hij liet graven, en toen men deze beide ligchamen vond , zeiden terltond , volgends zijn ver- haal C t ) , eenige oude lieden , dat zij zich wel herinnerden, de namen dezer twee Martelaren ge- hoord, en de opfchriften van derzelver graven gele- zen te hebben. Het volk vatte nu vuur, de Bis- lchop zelf werd ijverig, daar hij, in zijne vvorftehng met het Hof, zoodanige onderfi:euning ontmoette. Spoedig riep één uit de menigte, dat de nieuwönt- dekte Martelaren hem het gezicht weder gegeven hadden, anderen fpraken van andere genezingen; AMBROSIUS nam alles voor zeker aan, te meer, om- dat het hem diende. Men behoeft dus, bij dit ge- val , niet aan een opzetlijk bedrog te denken. Het Hof zag zich intusfchen genoodzaakt, in te binden, daar eene hoogere magt tusfchen beiden fcheen te
ko-
(*) EjK XXII. p. Sr4« Vers. Dcd VL BL 194.
Ct) Pag. 877.
F 2
\
|
«■^ 31 |
|
■ **V^ |
|
* v,\i |
|
• ♦ «É |
|
«4 |
|
•t |
|
' ■* « |
|
' K* |
|
- « ♦ 1 » |
|
L* ^ • 4 |
|
^Jt^A .5« 4 |
# # *-<
<!• t
.i« lil
K.<Ji A 4
éJkM
8a K E R K E L IJ K E
III het is waar, dat hij tranen florttc , toen het graamv
BOKK Qcnm Ariaanfchen Ouderling gevangen had geno-
Hoofdft. "^^"9 ^" ^^^ ^y denzelven terftond weder in vrijheid
na C. G. (leed (lellen. Maar toen het Hof van hem begeer-
lot 476 ^^ » ^•'^^ ^^y ^^^ ^^^ "^ toom zou houden , gaf hij > ten antwoord , „ dat het hem toekwam , liet volle
„ niet op te zetten, maar dat het in Gods hand „ ftond, om hetzelve te ftillcn (*)." Evenwel was zijn voorbeeld, en zijn driftig fpreken, reden genoeg, om een vuur te ontfteken, hetwelk aan dui- zenden het leven had kunnen kosten , indien het Hof niet toegegeven had. In plaats van het volk tot gehoorzaamheid te vermaanen, wr.s hij ftout ge- noeg, om fchimpende hekeliugen tegen de Keizerin op den predikftoel te gebruiken, ook fprak hij van verzoekingen des Duivels , waar aan de Gemeente was blootgeftcld , gelijk weleer job. Hij weigerde ook- hl des Keizers geheimen Raad een gefprek te houden met den Ariaanfchen Bisfchop auxentius , hetwelk hem door den Vorst geboden was. Inte- gendeel hield hij tegen denzelven cene fcherpe Pre- dikatie , waar in hij het volk inprentte , dat de Kei- zer in de Kerk , maar niet boven de Kerk is, enz. Eindelijk nam deze zaak eene voor aïvibro- sius en zijne partij gunffige wending, door het ont- dekken van de ligchaamcn van twee Martclaaren, CEPvVASius en protasius, in eene Kerk, in het jaar 386, hetwelk naa cene vuurige roorhereidiug en verwachting gebeurde, gelijk hij zelf het ver- haak (*) /. c.pr.g. 855.
GESCHIEDENIS. «3
liaalt (♦). Hier over bcliocfc men zich niet zeer III te verwonderen, dan mlsfchien over de fchrander- ^?,75
V ill
hcid van den Bislciiop, die van dit geval gebruik Hoofdd. wist te maken , indien anders iemand verwondering "^ C. G. verdient, die in (laat is, met zulke wapenen te ^^j' ,-^| ftrijden. Zeer natuurlijk toch kon men vermoeden , dat in eene Kerk , in welke reeds beenderen der Martclaaren telix en ii^'abor lagen , nog meer Christenen uit de tijden der Martelaren begraven la- gen; het volk riep om zulke overblijfzelen , ten ci\i- de daar door de inwijding der Kerk des te eerwaar- diger te maken, awdrosius gaf 'er zijne toeflem- iiiing aan; hij liet graven, en toen men deze beide ligchamcn vond , zeiden terllond , volgends zijn ver- haal ( t ) » eenige oude lieden , dat zij zich wel herinnerden , de namen dezer twee Martelaren ge- hoord, en de opfchriften van derzelver graven gele- zen te hebben. Het volk vatte nu vuur, de Bis- ichop zelf werd ijverig, daar hij, in. zijne worfceling met het Hof , zoodanige onderfleuning ontmoette. Spoedig riep één uit de menigte, dat de nieuwönt- dektc Martelaren hem het gezicht weder gegeven hadden, anderen fpraken van andere genezingen; AMBROsius nam alles voor zeker aan, te meer, om- dat het hem diende. Men behoeft dus, bij dit ge- val, niet aan een opzetlijk bedrog te denken. Het Mof zag zich intusfchen genoodzaakt, in te binden, daar eenc hoogere magt tusfchen beiden fcheen te
ko- C*) Ep. XXII. p. 874. Verg. Deel VI. BI. 194.
(t) Pas- ^77'
F 2
few».llLft
¥ W¥ '
I
|
<?" 4i? V 1 |
|
|
^ \lod |
|
|
Al |
lil |
|
lil |
|
|
\ ^^H |
Jnar tot
KERK EL IJ KE
komen; eii vergenoegde zich daarom, met de zaak den fpot te drijven, en dit nieuw verfchijnlcl voor IlooVdrt. bedriegerij te verklaarcn. Voor het overige bcfchouvvt na C. G. nien doorgaans dezen geheclen twist, als eene ver- ^y^ volging der KathoUjken , door de Ariaanen ; hoe- wel 'er, behalven eenige bedreigingen, en het af- zenden van Soldaaten , die niets uitvoerden , vol- ftrekt geen geweld tegen hen gepleegd is; veel meer beklaagde zich het Hof over de d}i^if7geh;ic/ij\ wel- ke AMBROSius oefende , die den Keizer ook , in de daad, verachtlijk en gehaat maakte, in het oog zij- ner onderdaanen. Als men paulinus , zonder eenig bedenken , gelooven kon , zoo zou de Keizerin den Bisfchop , door cenen Moordenaar, naar het leven gellaan hebben; maar deszelfs hand zou vcr- (lijfd zyn geworden , toen hij ze , tot volvoering der daad, uitftrekte (*). Maar deze Schrijver, die bijna (lap voor ftap wonderen ziet, is de eenigfle getuigen van eene onderneming, die bij zoodanige verbittering der gemoederen ligtelijk verdicht kon worden. Wie 'er niet aan twijfelt, kan bij denzelf- den PAULINUS ook nalezen, de Gefchiedenis van eenen Waarzegger, die van amcrosius Befcherm- Engel gepijnigd werd, en van een jong bezeten mensch, wien de Duivel, uit vrees voor dezen Bis- fchop, voor een' tijd lang, verliet. Zijnewer- Middclerwijl arbeidde amdrosius aan één van zij- ken over ne mcrkwaardigfle uitlegkundige fchriften des Bij- over den ^^' hetwelk hij uit gchoudcne Prediknti'ên famen*
ilcl- (*) Fit. Anilrof. pag. VI.
.^i»^
»; JK^
«-il mmki- fm.
J» « .^ '% % ,.
^ m ^4
^ .%
« 4
GESCHIEDENIS.
«ff
ftekie; te weten, tie Uitlegging der Eunngelie- w\ Gefchiedcuis van lukas, die in liet jaar 386, of ^^^^ kort daar na, tot Hand kwam (*). In dit werk Hoofd(l. heldert hij wel eerst den woordenüjken zin op , maar n?. C. G.
Til T" O Z^*^
meestendeels zeer oppervlakkig, vcrvolgends ftrook ^^j. ^^*
Jiij 'er vele üicbtelijke en zcdenlijke aanmerkingen •
over uit, doch die niet zelden ver gezocht zijn : , , ,
Plalui. ook heeft hij in dit werk het één en ander uit ori-
GENES ontleend, vvien hij, over het geheel, in ge-
hcmzinnige , ( Myfiifche , ) en Geestlijke betekenis-
(c\\ vlijtig navolgt. Niet zelden vergelijkt hij de
verhaalen van lukas met die der overige Euange-
listen, om ze met malkanderen te verëenigcn, alleen
wanneer hij ^qzq overëenfiemming niet kan vindca
in den Hiflorifchen zin, zoo vergenoegt hij zich,
dezelve in den Geestlijken zin te doen opmerken.
Anders gedraagt hij zich in zijne Uitlegging van (Jen CXL\ Pfnlm, (den CXVIII naar de Griek fche V'ertaaling) (|) , welke Aveder insgelijks uit Fredikatien ontdaan, en omtrent het jaar 387 vervaardigd fchijnt te zijn; alhoewel hij hier weder eenen driediihbeïen zin des Bijbels onderflelt , den gefchiedkundigen , geheimzinnigcn , en zedenlijken , bepaalt hij zich echter voornaamlijk tot het zedenkundige. Evenwel blijft hij daar niet zoo bepaaldelijk bij, of hij haak veel aan , hetwelk te ver gezocht is , dus is hij breedvoerig, over de fchikking van dezen Pfalm ^ naar de orde van het Hebreeiiwfche Alphabet, zoo
dat
(*) Expofitio Euangelii fecundttm Lticam T. I. Opp, f. 1261-1544. (t) T. I. Opp. p. 971-1258.
F3
*«
•^^*
II
* 't
f: tl
,>- -4'
♦ »
I ii
*^.'*Ji
^A-i
*•*
«f «
«*
84 K E R K E L IJ K E
III komen; en vergenoegde zich daarom, met de zaak BOEK jI^ji fpot te drijven, en dit nieuw vcrfclüinrcl voor Hoofdft. bedriegerij te verk haren. Voor het overige bcfchouvvt na C. <^- men doorgaans dezen geheclen twist, als eenc ver^ t t** l-'ó ^'^^t^^'^S '^^^ KathoUjken , door de Ariaanen ; hoe- wel 'er, behalven eenige bedreigingen, en het af- zenden van Soldaaten , die niets uitvoerden , vol- ftrekt geen geweld tegen hen gepleegd is ; veel meer beklaagde zich het Hof over de dwingelandij, wel- ke AMBROSius oefende, die den Keizer ook, in de daad, verachtlijk en gehaat maakte, in het oog zij- ner onderdaanen. Als men paulinus , zonder eenig bedenken , gelooven kon , zoo zou de Keizerin den Bisfchop , door cenen Moordenaar , naar het leven gedaan hebben; maar deszelfs hand zou ver- ftijfd zijn geworden , toen hij ze , tot volvoering der daad, uitllrekte (*). Maar deze Schrijver, die bijna (lap voor (lap wonderen ziet, is de eenigfte getuigen van eene onderneming, die bij zoodanige verbittering der gemoederen ligtelijk verdicht kon worden. Wie 'er niet aan twijfelt, kan bij denzelf- den PAULINUS ook nalezen, de Gefchiedenis van ecnen Waarzegger, die van amcrosius Befchcrm- Engel gepijnigd werd, en van een jong bezeten mcnsch, wien de Duivel, uit vrees voor dezen Bis- fchop, voor een' tijd lang, verliet. Zijnewer- Middclerwijl arbeidde amdrosius aan één van zij- ken over nc merkwaardigde uitlegkundige fchriften des Bij- ovcrdcn ^^' betwelk hij uit gchoudcne Predikati'èn famen-»
ftcl- (*^ /"/•/. Amhof.pag. VI.
C E S C IT I E D E N I S. «5
jRclde; te weten, de Uitlegging der Euangelie- \\\ Gefchiedcuis rnn lukas, die in het jaar p,86, of ?^onK kort daar iia, tot ftand kwam (*). In dit werk HoofdiT. lielilert hij wel eerst den vvoordeniijken zin op, maar nn C. G. meestendeels zeer oppervlakkig, vervolgends llrook ^'^j. ^^*
Jiij 'er vele flichtelijke en zcdenlijke aanmerkingen
over uit, doch die niet zelden ver gezocht zijn ; ^^, ^ ook heeft hij in dit werk liet één en ander uit ori- GENES ontleend, vvien hij, over het geheel, in ge- '
hcimzinnige , ( Myfiifche , ) en Geestlijke betckenis- fen vlijtig navolgt. Niet zelden vergelijkt hij de verliaalen van lukas met die der overige Eiiange- listen , om ze met malkandcren te verëenigcn , alleen wanneer hij ditzo. ovcrëenflemming niet kan vinden in den Hijiorifchen zin^ zoo vergenoegt hij zich, dezelve in den Geestlijken zin te doen opmerken.
Anders gedraagt hij zich in zijne Uitlegging va» den CXIX Pfa/m, (den CXVIII naar de Grkkfche Vertaaling) (f) , welke weder insgclyks uit Predikatitn ontdaan, en omtrent het jaar 387 vervaardigd fchijnt te zijn; alhoewel hij hier weder eenen driediibbelen zin des Bijbels onderllelt , den gefckiedkundigen , geheimzinnigcn , en zedenUjken , bepaalt hij zich echter voornaamlijk tot het zedenkundige. Evenwel blijft hij daar niet zoo bepaaldelijk bij, of hij haak veel aan , hetwelk te ver gezocht is , das is hij breedvoerig, over de fchikking van dezen PfaJm^ naar de orde van het Hehreemvfche Alphabet, zoo
dat
(*) Expofttio Euangelii fecnndum Liicam T. I. O/y^ p. 12Ö1-1544. (t) T. I. Opp. p. P71-1258.
F3
?,6 K E R K E L IJ K E
III dnt telkens acht verzen van dcnzelven met dezelfde
doi;k ïiebreiiuTche Letter beginnen, waar in hij verfchei- VIII ö j j
lloüfdfl. <^^'"c vcrborgenhcden zoekt. Bij dcza gelegenheid na C. G. vinden wij dit gezegde -van hem , waar mede zijne tot I76 Benedictyner Uitgevers verlegen zijn. ,, Alhoewel ■ „ in den Doop terflond eene volkomcne reiniging
„ is, brengt echter de gedoopte^ dewijl hij eerst de 5, gefteldhcid van zijne afwasfching en van het of- „ fer kennen moet, dit laatde niet eer, voordat hg 5, den acktften dag bereikt." Zij verflondcn die woorden , het of er hrengen , van het gebruiken des Heiligen Avondmaals , doch men weet , dat de nieuw- gedoopte Christen tcrdond na den Doop gewoon was, het Heilig Avondmaal te ontvangen. De plaats is ondcrtusfchen geniaklijk te verdaan , als men denkt aan de vrijwillige gavön , welke , bij de gele- genheid van het vieren des Avondmaals, door de Christenen gebracht werden , en die offeranden^ (^ohlationes ^') genoemd worden. De nieuwaangcno- men Christen, die de eerde acht dagen in het wit gekleed ging, en in dezen tijd nog naauwkeunger omtrent den Doop ^ Zalving^ en Avondmaal^ on- derwezen werd, zoo als men uit de Katechezen van CVRILLUS van yertifalem weet (*), kwam eerst, na het verloop van deze acht dagen , tot het volko- men genot van alle rechten der gelovigen. Uier toe behoorde ook het aanbrengen van die gaven, die ook dan nog een offer heeten , wamieer zij door het gebed, ten gebruik des Avondmaals, aan God op-
(*) Zie Deel Vlll. Èladz. ipi.
GESCHIEDENIS. S7
gedragen werden. Voorts wijdt AiMDROSius ook UI bijzonder dikwijls uit, in gelieimzinnige uitlcggin- ??^j gen , en behandelt bij gelcgenlieden bijkans het ge- Hoofdd. hecle Hooglied. Zoo heeft hij over het 17de vers,"^C. G. naar zijne vertaaling : Vergeld uwen knecht , opdat {q. ^-^^ ik leve , en uw woord bewaare , veel over de beloo- — ning, welke de Godvnichtigen van God bidden mo- gen; over hunne prijswaardigc en zalige dienstbaar- heid; over Hoogl. I. 9-14; over het tegenwoordig leven onder dooden; over de noodzaaklijke reiniging door den Doop; en andere dingen meer, die zich verwonderen moesten , hoe zij hier bijeen komen. Maac bij gelegenheid van den Kerkelijken Doop valt hem in , dat ''er mg een andere Doop is in den Foorhof van het Paradijs^ welke 'er te vooren niet geweest is; want nadat de zondaar uit hetzelve ver- dreven is, heeft God voor hetzelve een vuurig zwaard geplaatst. „ Wanneer joannes ," zoo gaat AMBROsius voort (*), ,, verzekcrt, i^Matth, UI. II, 12O dat CHRISTUS met den Heiligen Geest en met vuur doopen zal ; dat hij zijnen dorschvloer zal doorzuiveren enz. , dan getuigt de Heere zelf, dat dit niet de Doop der Kerk is. Veel meer zal het een Doop zijn na het einde der Wereld ^ wanneer de Engelen gezonden zullen worden, om de vroo- men en boozen van eikanderen af te fcheiden ; wan- neer de ongerechtigheid door den vtiur- oven verbrand zal worden , opdat de Rechtvaardigen in het Ko- ningrijk van God blinken, als de zon. Al was ie- mand ( * ) Serm. II. //; Pf. CXIX. pa§. ^^y,
F4
88 K E R K E L TJ K E
III mand zoo heilige als petrus «ƒ joannes; toch zat poKic iiij jfjei ijci \uur gedoopt worden. Dus zal cie Iloofdft- groote Duopcr komen, (want zoo noem ik licm , na C. G. met den Engd gabriül , ) hij zal velen zien ftaan tar f-'ö' ^*^°'' ^^^ V'üorhof van het Paradijs ; hij zal het m - ligt tc wenden zwaard bewegen , en tot de genen ,
tlie aan de rechtehand itaan, en geene zwaare zon- den hebben , zeggen : Gaat in , gij die vertrouwt , die het vuur niet vreest! Want ik heb u te vooren gezegd: (^ef. LX VI. 15. Ezech. XXII. 21.) Ik kom als het vuur; ik zal op u in het vuur van mijnen toorn hlaazen." Deze gedachte , dat allen , die in het Paradijs terug willen kccrcn, de Aposte- len zelvcn niet uitgezonderd , door het vuur beproefd Dioeten worden , herliaalt hij nog eens ( * ) , en grondt ze andermaal op het vlammend zwaard vóór liet Paradijs. Dit gevoelen heeft lüj met hilarius en GREGORius van Nysfa gemeen; of liever zij had- den het allen uit eene gemcene bron, uit de fchrifteii van ORIGENES. Dit gevoelen heeft dus niets ge- meen met de laatere leere van het Vagevuur. Op gelijke wijze is liet gelegen met eene en andere plaats, welke men op laater denkbeelden nopens het Avondmaal toepast. In het óalte vers zegt de Dich- ter, volgends de oude Latijnfche Vertaaling: dat hif midden in den nacht op/laat^ om den Heere belij- denis te doen van de rechten zijner gerechtigheid. Hier uit trekt zijn uitlegger deze Iterc, hoe nodig het zij, des nachts te bidden; maar ook, dat de
nacht (*) Scrm. XX. pag. 1225.
GESCHIEDENIS. R9
nacht een tijd is van (^lodlijkc (Iraircn, zoo als voor III dezen in Egypte. „ Om nu, zegt hij (*), de la- ^J^j'j" „ n,Q\\ des verzoekers voor te komen, houd vooraf Hoofd (T. „ de hemeljche maaltijd l Tiet vasten is aangezegd; '" ^' ^' „ vcrzumi ze evenwel niet ! Zells uwe gereed zijn- tot 47(>.
„ de maaltijd mag het u niet afpersfen , om ledig te
5,, blijven van het Hemel fche Sacrament! — Neem „ het ter uwer verderking! eet het ligchaam des 5, Ileeren jesus , in vvien vergeving der zonde, „ recht op de verzoening met God, en op eeuwige „ befcherming is! Ontvang vooraf den Heere je- 5, sus, in de herberg van uw gemoed! Waar zijn 3, ligchaam is , daar is ook christus ! " Omtrent even zoo verklaart hij zich daar over bij het ii6dc vers (f). Hier noemt hij het Avondmaal, de fp'ij- ze van christus ; de fpijze des Itgchaams des Hee- ren; de maaltijd des Sacrament s ; den beker, waar door de begeerten der geloovigen dronken worden enz. Soortgelijke uitdrukkingen kunnen toch, op verfchillende wijz'ï, verklaard worden.
Het jaar 387, in hetwelk ambrosius dit werk A.AinRosi- fchijnt voltooid te hebben , bracht voor hem ander- ^!,!j]\rJë- inaal een toneel voort in Staatsbelangen. -Men vrees- z^^nt bij de meer en meer aan het Hof van valentinianus, maximus. dat MAXBius in Italië inbreken , en de zwakke re- geering aldaar omkccren zou. Dus werd onze Bis- fchop andermaal van het Hof verzocht , om als ge- zant naa Ga/li'én te reizen , en cenen vrede te be- middelen; ook zou hij, tot verzekering van denzel-
vcn,
C*) Serm, VIII. />. 1073. (if)Serm. XV. p. 1:66,
F 5
90 K E R K E L IJ K E
III ven, om het lijk van den voori^en Keizer gratia- DoiiK ^^.^ YQQ^. tjeszelfs Broeder verzoeken (*). Tc Tre- Hoofdft. ^'^^ aangekomen, verzocht hij een bijzonder gehoor na C. <j- bij maximus; maar kreeg ten antwoord, dat deze M A-'ó. ^^^"^ alleen in de geheime Raadsvergadering fpreken « kon. AMBROSius verklaarde, dat Priesters niet ge- woon waren , dit te doen , evenwel zou hij , met vermaak, dezen vernederenden Hap, in de broeder- lijke belangen van zijnen Keizer, ondernemen. Bij zijne komst in den geheimen Raad ftond maximus op, om hem te kiislchen; maar hij bleef, alhoewel van den Vorst geroepen , op eenen afftand ftaan , en zeide veeleer: ,^Iioe kunt gij iemand kusfchen, ,, dien gij niet kent? Want zoo gij mij kendet, „ zoiidt gij mij niet hier zien." maximus bracht hem onder het oog , dat hij ' driftig was. Wiet van toorn , hernam de Bisfchop , maar , omdat ik be- fchaamd ben, dat ik op eene verkeerde plaats fta. Maar gij hebt u immers de eerde keer hier ook la- ten vinden 1 wierp hem de Vorst tegen ; en ambro- sius beweerde, dat dit niet zijn, maar des Vorsten fchuld gev/eest was. Ook had hij toen in naam van eenen minderen om vrede verzocht , thans be» geerde hl.] den vrede voor eenen Keizer, die, door Güds bijftand, hem volkomen gelijk was geworden. Het gefprek veranderde in wedcrzijdfche verwijtin- gen, en AMBROSIUS zeide maximus in het aange- zicht, dat hij een Rijksverweldiger, {ufurpntor,^ was. Dus werd het gehoor afgebroken. Toen
MAXI-
(*) AMEROS. ^t' obilu Vtileiit. Confnlatiü T. II. Opp. /^. 1182.
GESCHIEDENIS. 91
MAXIMUS vcrvolgcnds zag , dat amijrosius zich van IH de KcrkcUjIcc Gcnicenfcliap met de Bisfchoppen van ^P'Tj zijn Hof, voornaamlijk van die , die bij hem op het Hoofcift. ter dood brengen van eenige Ciiiistenen , om hnnnc "^ ^' ^» wangevoelcns luidden aangedrongen , onthield , ver- Iq[ ^^5* bitterde dit hcni zoo zeer, dat hij hem liet bevelen, ■ om terflond te vertrekken. Dit bericht van zijn tweede Gezantfchap heeft ambrosius zelf aan va- LENTiNiANUS ovcrgczonden (*}. paulinus voegt 'er nog bij (f), dat hij de Kerkelijke Gemecnfchap w met maximus zelvcn afgebroken , en hem vermaand hebbe , om , wegens het onfchuldig vergoten bloed van zijnen Heer , boete te doen , indien hij anders genade bij God hoopte te vinden. Eene omflandig- heid, welke min geloofwaardig is, omdat de Bis- fchop zelf, in zijnen uitvoerigen Brief, 'er niet van gewaagt. Met meer zekerheid is elders (§), uit een laater Schrijven van amkrosius, aangewezen, dat hi], bij deze gelegenheid, een' roemwaardigen af- keer betoond hebbe, tegen die Bisfchoppcn, die het bij MAXIMUS zoo ver gebracht hadden, dat de Fris- dUianisten aan het leven geftraft werden.
Vergeefs had dns ambrosius dit Gezantfchap ten Dootiva-i twccdenmale op zich genomen. Een ander Gezant, waximu:. die aan maximus afgezonden werd, vond bij den- zelven wel een beter onthaal, zelfs gaf hij hem Krijgsvolk mede, om valentinianus bij te Ilann,
te-
(*) Episf. XXIV. prig. 887. fqq. (t) Fit. Ambrofii fag. VI. CS) Zie VII Dcd^ Bl^dz. 281.
^ K E R K E L IJ K E
111 tegen CIC invallen der Barbap.ren. Maar liij bedroog
"OKK daar mede zoo den cénen als den anderen , trekken-
Hoofdft. ''*^ '^y ^^^^ Gezant, op deszclfs togt over de J/pen ^
ira C. G. naa Itnli'é^ nog in het jaar 387, zoo heinilijk als
Jaar 363. j-^^j ^^.^ j^.- j^j-^p^. ^qqj. ^qj- yj^uUeja , en zou den
tot 476. 3 7 J <- ^ y 7
,, jongen Keizer overvallen en gevangen genomen heb-
ben, indien deze zich, met zijne Moeder, niet te fclicep naa Thesfaionka geborgen had. Doch thans greep thüodosius, die het Oosterfchc Rijksgedeelte beheerschte , de wapenen op tegen maximus , kreeg hem , in het jaar 388 , te Aqiiikja in zijne magt , en liet hem ter dood brengen (*). aïmerosius ver- loste toen, door zijn voorfpraak bij den Overwin- naar, niet weinigen, die met ballingfchnp, gevan- genis, en zelfs aan het leven geüraft moesten wor- den ct).
Sclirifcen Doch omtrent dezen tijd, ten minflen zcdert het van AM- jjjj^j. „jj^^ gg|-|, yjj. 2ekerc fpooren blijkt, fchreef hij
weder eenige Verhandelingen , meestendeels over Bij- belfchc Gefchiedenisfen , waar toe weder gedaane Predikatiën aanleiding gaven. Zijne P,vee Boeken van ABRAHAM warcn van dezen , naar het fchijnt, de eerden (§). Het eerde derzelven is zedenkundige en llclt ABRAHAM voor , als een voorbeeld van deug- den. E'ine plaats in dit Boek is zeer merkwaardig, waarbij abraham ontfchuldigt , dat hij, op raad 2ijner huisvrouw , kinderen bij zijne dienstmaagd
ver-
(*) zosiM. H. L. IV. a 42-46. p. 360. (f) AMBRos. Epiit. XL. pag. 953. (§) Opp. Tom. I. peg. 281-352.
GESCHIEDENIS. n
Verwekt heeft. „ Laat ons vooreerst dit in aan- III „ merking nemen , zegt ambrosius (*), dat abra- ??.'lj „ HAM vóór de Wet van moses en vóór het Eu- Hoordll. „ ongelie geleefd heeft. De echtbreuk fcheen fwg ^^ C. G. „ 7jlet verboden te zijn. De flraf der misdaad ^^^ ^-,5^
5, neemt een begin van den tijd der Wet , door —
„ welke hetzelve verboden is geworden. Hij heeft „ dus niet tegen de Wet gezondigd; maar is de. „ Wet voorgekomen. Alhoewel God in het Paradijs ,, het huwlijk geprezen heeft; echter had hij ds „ echtbreuk niet veroordeeld. Want hij wil den „ dood des zondaars niet; daarom belooft hij be- „ loningen ; flraffen vordert hij niet. Liever wil hi} 5, door zwakheid vermrianen, dan door Iiardheid ,, verfchrikkcn. Ook gij licbt gezondigd, toen gij „ nog een Heiden waart; dit ontfchuldigt u; daar „ op zijt gij in de Kerk gekomen , en hebt de AVct „ gehoord: Gij zult niet echtbreken. Nu kunt gij „ uwe zonde niet meer ontfchuldigcn. " Om het aanftootlijke van deze plaats weg te nemen , heeft men zoeken te betoogen , dat ambrosius , in dit zelfde Bock , de ongeoorloofdheid van den echt- breuk, zelfs naar de wet der natuur, erkend hebbc; maar hij zelf, vervolgends aantonende, dat hier een voorbeeld in verborgen is geweest , vervolgt. ,, Wat gij dus voor eene zonde houdt ^ dat vindt gij als eene verborgenheid , door welke toekomende din- gen van laater tijd geopenbaard worden. — Laat ons erkennen, dat deze dingen^ welke in een beeld ge- beurd (*) Pag. 290.
94" K E R K E L IJ K E
III betird zijn, voor hen geene zonde waren; maar voor "^o^^ ons integendeel zullen zij het zijn , indien wij ons Hoofdft. "^'-'^ fchikken willen, naar het gene tot onze verbe- na C. G. tering gefchreven is C * )." In het tweede Boek gaat tot \-i' ^^ Schrijver tot den hoogeren of allegorifchen zin
■ der vroegere Gcfchiedenisfen van adraham over.
Tot een vervolg van dit werk diende een ander van ISAAK , en van de ziel ( f ), isaak heeft eigenlijk niet meer dan den naam tot het opfchrift van dit werk opgeleverd; zijne Gefchiedenis wordt 'er niet het geringde in opgehelderd. Maar, dewijl hij een voorbeeld van Christus zal zijn, en zijne rebec- CA de ziel' van eenen Christen zal betekenen, die met den Heiland ondertrouwd wordt, zoo befchrijft AMBROSius dit Gecstiijk huwlijk , naar aanleiding van het geheele Hooglied. Met dit werk verbindt hij zelf zijn Boek van de voordeelen des doods zeer naauw, (^Liher de bono mortis^ C§)i "^^-^r i" hij lirie foorten van dood optelt: de dood der zoude ^ de geheimzinnige dood ^ wanneer men de zonde af- frerft, en de fcheiding der ziel van het ligchaam. Even gelijk dit, zoo is 'er nog een ander werk van AMBROSIUS, uit zijne Predikatiün ontdaan, (^Liber de fuga feciili ^') over het ontvheden der wereld (**}. Vervolgends gaf hij twee Boeken van jakob en van het gelukzalig leven (jt), dit leidde hem tot de Ge-
fchic-
(*) ?.Ten zie barbeyrac Trailè de la Mor als des Pc' rcs de rEglife pag. 211. fq. (f) h c. p. 35^-384. C§) '• '-• P' 3f^9-4T4- (**) l' e- P' 4»r-44o.
C1 1) ^- ^- /-'• 443-480.
GESCHIEDENIS. 95
fdiicdenis van josef , (</<? Jofeph Patriarcha) (*). III Eiiulcliik kwam hier bij zijn gcicliritt over de zege- ^^^^ ningcn der Aardsvaderen , ( de jDcnedictioiübtis ■ Ba- Hopfdll. triarcliarum^ (f), waar mede deze reeks van Ver- "^ ^* ^* handelingen voltooid, werd , welke cassiodorus (§) tot 475! zijne zeven Boeken van de Patriarchen noemt. — — —
Terwijl de Keizer theodosius zich, na het over- ambrosi- winnen van maxiimus , tot de eerllc maand des jaars ^^^^J^ 380 , te Mediolanum bleef onthouden , gebeurde het , dat zich de Christenen in Mefopotamie cene Siïnapo^e der f 00- ^rotsch je» den, en een Bosch der Valentinianen verbrandden; Keizer dè Keizer gebood, dat de Christenen deswegens ge- theodo-
SlUS.
üraft, en de Bisfchop, die hen opgehitst had, ge- "^ noodzaakt zou worden, de Sijnagoge^ op zijne kos- ten, te laten opbouwen. ambrosius, dit verne- mende, zocht den Keizer, door eenen driftigeu Brief, te bewegen, om deze ftraf op te heffen, en toen dit niet baatte , drong hij 'er in ecne openbare Kerk- reden zoo ftout op aan , dat de Keizer eindelijk ver- klaarde, dat de befchuldigde Christenen gccne ftralFe lijden zouden (**). In den gemeldcn Brief, klaagde AMBROSIUS ook, dat Ouderlingen enKcrkendienaars, die 30 en meer jaaren hunne ambten hadden waar- genomen , nog gedwongen werden , in liun burger- lijk gilde terug te keeren , om zekere burgcrdicnften waar te nemen. Ondertusfchen hadden de wetten
daar
(*) /. c. /». 483-510. Ct) /. c. p. 513-532. ( § ) De Inftit. Divin. Htt. Cap. i . (**} AHHROs. Epiit. XL. p. 94(5. XLT. /. ^^6. pai'L. ///. Ambr. p. VI. YQXgcl.- Deel, V. Bijch. izi.
ji 1 i
J'
1 i
'
■•**'v*
^
|
1 |
|
|
M< |
|
|
*..€»! |
< 1 |
|
«•"^IK |
II
■•»
tot 476.
L IJ K E
beurd zijn, rvjor z^^;/ gcene zonde waren; maar voor ons integendeel zullen zij het zijn, indien wij ons HooVdrt. "^^'^ fchikken willen, naar het gene tot onze verbe- na C. G. tering gefchreven is C * )•" In het tweede Boek gaat tTt A7^* ^^ Schrijver tot den hoogeren of allegorifchen zin der vroegere Gefchiedenisfen van abraham over. Tot een vervolg van dit werk diende een ander van ISAAK , en ran de ziel ( f ). isaak. heeft eigenlijk niet meer dan den naam tot het opfchrift van dit werk opgeleverd; zijne Gefchiedenis wordt 'er niet het geringde in opgehejderd. Maar, dewijl hij een voorbeeld van Christus zal zijn, en zijne rebec- CA de ziel' van eenen Christen zal betekenen, die met den Heiland ondertrouwd wordt, zoo befchrijft AMBROSius dit Geestlijk huwlijk , naar aanleiding van het gehcele Hooglied, Met dit werk verbindt hij zelf zijn Lock van de voordeelen des doods zeer naauw, (^Liher de hono mortis') (§), waar in hij drie foorten van dood optelt: de dood der zonde ^ de geheimzinnige dood, wanneer men de zonde af- fterft, en de fcheiding der ziel van het ligchaam. Even gelijk dit, zoo is 'er nog een ander werk van AMBROSIUS, uit zijne Predikatiën ontftaan, (^Liber defugafeciili^) over het ontvlieden der wereld (**). Vervolgends gaf hij twee Boeken van jakoc en van het gelukzalig leven (it)» dit leidde hem tot de Gc-
fchic-
(*) ÏMen zie barbeyrac Traite de ia Mor als des Pe- rcs de rEglife pag. iw. fq. (f) /. c. p. 35^-384. (§) /. c. /.. 3«9-4i4- C*) l- c. p. 417-440.
C1t) ^' <:• y- 443-480.
i^:«
wm
\
k^nt^
.fiJMiKM^K^M^
' .«.«•*
« A
WU^^^^Ib* «
GESCHIEDENIS.
95
fdiicdenis van josef , ( de 'Jofeph Patriarcha ) (*). Ëiiulelijk kwam hier bij zijn gclclirift over de zege- ningen der Aardsvaderen , ( de Memdictionibits Ea- iriarc/zarmn) (t)? ^vaar mede deze reeks van Ver- handelingen voltooid, werd , welke cassiodorus (§) zijne zeven Boeken van de Patriarchen noemt.
■ Terwijl de Keizer theodosius zich, na het over- winnen van MAXIMUS, tot de ecrftc maand des jaars 380 , te Mediolanum bleef onthouden , gebeurde het , dat de Christenen in Mefopotamie cene Sijnagoge der 'Joo- den , en een Bosch der Valentinianen verbrandden; de Keizer gebood , dat de Christenen deswegens ge- ftraft, en de Bisfchop, die hen opgehitst had, ge- noodzaakt zou worden , de Sijnagoge , op zijne kos- ten, te laten opbouwen, ambrosius, dit verne- mende, zocht den Keizer, door eenen driftigen Brief, te bewegen, om deze ftraf op te heffen, en toen dit niet baatte , drong hij "er in cene openbare Kerk- reden zoo Hout op aan , dat de Keizer eindelijk ver- klaarde, dat de befchuldigdc Christenen gecne ftraffe lijden zouden (**). In den gemeldcn Brief, klaagde AMBROSIUS ook, dat Ouderlingen cnKcrkendienaars, die 30 en meer jaaren hunne ambten hadden waar- genomen , nog gedwongen werden , in hun burger- lijk gilde terug te keeren, om zekere burgerdienften waar te nemen. Ondertusfchen hadden de wetten
daar
C^ l' c. p. 483-510. (t) /. c. p. 513-532.
(§) Z)^ Injlit. Divin. Hit. Cu Ik i.
(**) AMRROS. EpiSt. XL. p. 9^6. XL\. p. r)^6. FAUL,
/>/. Aiiibr. p.Vl. YergQl. Dee/. V. B/adz. izi.
UI
BOEK
Vlil
Mopfdn.
na C. G. Janr 363. tot 476.
AMfiROSl-
us ge- dra ngc zich
trotsch je- gens den Keizer
THEODO- SIUS.
f)
■J
./J
I
.JL^Jé^
!'««
* mm
96 K E R K E L IJ K E
!Il daar omtrent zich cnkcl verzet tegen liet misbruik,
TioKK hetwelk fommi2:cn van de voorrechten der Geestliik- VIII Hoofdft. ^^'^^' maakten (*). Ook Ichijncn ten dezen tijde
•na C. G. de Hcidenfche Raadslieden eene nieuwe poging gc- to7 1-^6 ^^'^'^ '•^ hebben , om den Altaar der Overwinmng . op het Raadhuis herfteld te krijgen , waar tegen a:m-
BROSius zelf meldt, dat hij zich met denzelfdcn ijver en gelukkigen uitflag , als te voren , verzet heb- be (f). Doch nooit handhaafde ambrosius , het gene hij als zijn recht en gebied aanzag, fterker dan bij de volgende gcbcurenis in het jaar 390. bothe- Ricus, Opperbevelhebber des Krijgsvolks , (magis- ter militum , ) in Illyrictim , die zijn verblijf te Thesfalonica had, had aldaar eenen wagenmenner, wegens het ondernemen van eene groote misdaad, in de gevangenis laten zetten. Als kort daar na een plcgtig wagcnmennen gehouden werd , begeerde het volk, dat deze perfoon, dien men daar bij nodig liad , losgelaten zou worden. De Veldheer , dit wei- gerende, gaf daar door aanleiding tot een oproer, hetwelk hem zelvcn het leven kostte; ook werden, volgends theodoretus , nog andere Overheidsper- fonen met fleenen gedood (§). tiieodosius zou deze wandaad terfiiond geftraft hebben , indien am- brosius hem niet bewogen had, den inwoncren van Thesfalonica vergiffenis te fchenken (**). Hier op
ver-
(*) Zie Bed V. Bladz. 230. (f) £/.. LVII./». loir.
(§) RUF. //. ;:. L. XI. c. 18. sozo.M. i.vii.c. 25,
THEODORET. H. E. Libv. V. Cap. 17. r**) PAULiN. /. c. pag. vu.
^ ïï: S C II I E D E N I S. Pr
Vrrtrolnvcndc , hield deze Bisfcliop cene vergadering llt Jmet ecni}jc Bisfclioppcii te JMedioInnuvi. Maar in- !^,",';'f
° V lil
middels was de Keizer door zijne Raadcn omgezet Moot art. geworden; rufikus en anderen wisten hem te doen "^ ^* ^» begrijpen , hoc noodzariklijk het (traden des oproers [^^ ^.J^^
was. Men zorgde echter, om dit zijn bcQiiit voor
AMBROSius geheim te houden ; over wien de Keizer zich mcermaalen beklaagde , dat hem hét dén en an- der tcrdond bekend werd , wat in den Staatsraad be- paald en vastgefteld was(*). Op zijn bevel dan werd •sawThesfalonica eene flrnfle geoefend, die meer cene tot de hoogftc wreedheid gedrevene wraak genoemd kon worden. Alle Sclirijvers, hoe zeer in fommige omftandighedcnvcrfchillende, komen trouwens daarin overeen, dat fchuldigen en onfchuldigen , ingezetenen en vreemdelingen , aldaar zonder onderfcheid in groots menigte nedergcfabeld zijn, wier getal, volgends theodOretüs, wel op 7,000 menfchen zal belopen hebben. De Keizer had te laat een bevel herroepen, van hetwelk men nauwlijks geloovcn mag, dat hcE van eenen Vorst in die mate van woede kan f^eac- ven zijn, als het ten uitvoer gebragt werd (f). De ontfteltcnis te Mediolanum was algemeen, op de tij- ding v.m dezen moord, en ieder den was verwach- tende, hoe zich aïmbrosius daar bij gedragen zou. Deze overhaastte zich niet; hij kende 's Keizers drift , maar ook zijne godvruchtige gezindheden , om zijne natuurlijke haastiglieid te beteugelen. Dus wil- de
C^) AMcRos. Lpht. LI. [mg. 99-.
(I ) AMuaos. /. c. pag. 998.
IX. Deel. G
9» KERKELIJKE
III de hij hem tijd laten , om den begaanen misflag te
BOEK lierftellen. throdosiüs flond cerlaiiff te Mediola- Vlir ■ , . , ^
Hoofdd. *^^^'^ terug te komen; cenige dagen te vooren ver- na C. G. trok AMDROvSius, onder voorwcndzei van zijnen ziek- tot 1 6 ^^^^ toeftand , naa het land. Eindelijk oordeelde ■ hij het diendig, den Keizer in cenen Brief de na-
druklijkfte voordellen te doen (*). Hoe duidlijk nu AMEROsius in dezen Brief den Keizer te verüaan had gegeven, dat hij zich aan de Kerkelijke Boete zou moeten onderwerpen , geloofde deze echter waarfchijnlljk , dat hij door zijnen ftand daar boven verheven was. Hij kwam dan, om den openbaren Godsdienst bij te wooncn (f). Maar amerosius ging hem buiten het voorportaal der Kerk te ge- moet, en fprak hem, met deze woorden, aan: 5, Gij fchijnt nog niet te weten, ó Keizer! hoe 5, fchandclijk en zwaar de door u begaane moord „ zij! en alhoewel de eerfle drift bedaard is, zoo „ heeft toch de rede deze (loute euveldaad nog y, niet erkend. Want misfchien verhindert u de „ Keizerlijke magt , de zonde te erkennen. De magt „ verduidert wel de rede. Doch men moet de Na- ,, tuur befchouwen; hare fterflijkheid en bouvvval- „ ligheid; het oorfpronglijk (lof, waar uit wij ont- „ ftaan zijn , en waar in wij terug keeren. Gij „ moogt niet, door den glans van het purper be- „ drogen, onwetend blijven, welk een zwak lig- „ chaam daar onder verborgen is. Gij heerscht
„ over
( * ) Epist. LI. pag. P97.
(f) PAUL. /. c. p. VIL THEOD. /. c. Cap. i8.
■wierp liij zicli in de Iverk op den óroncL Tieclev.
*^ IX.D, Bladz.99.
* %"
1 1
1
|
'^'^loy |
|
|
».Awi |
|
|
M 4k it {inH ■ |
|
|
'M |
na C. G. trok ambrosius , ider voorwendzel van zijnen ziek- Jaar 363. j... ^^ toeftand , 1 1 het land. Eindelijk oordeelde
tot 476. •' . T. . r 1
. hij het dienftig, d. Keizer in eenen Bnef de na-
druklijkfte voorftel i te doen (*). Hoe duidlijk nu AMBROSIUS in dcni Brief den Keizer te verftaan had gegeven, dat ij zich aan de Kerkelijke Boete zou moeten onc -werpen , geloofde deze echter waarfchijnlijk , dat lij door zijnen ftand daar boven verheven was. H kwam dan, om den openbaren Godsdienst bij te oonen (f). Maar ambrosius ging hem bnitcn et voorportaal der Kerk te ge- moet, en fprak im, met deze woorden, aan: 5, Gij fchijnt no: niet te weten , 6 Keizer ! hoc 5, fchandclijk en : raar de door u begaane moord „ zij ! en alhoewe de eerfle drift bedaard is , zoo „ heeft toch de 2de deze ftoute euveldaad nog „ niet erkend. ^ant misfchien verhindert u de 5, Keizerlijke mag de zonde te erkennen. De magt „ verduiftert wel • rede. Doch men moet de Na- ,, tuur befchouwe, hare fterflijkheid en bouwval- „ ligheid; het oonronglijk ftof, waar uit wij ont- „ ftaan zijn , en vaar in wij terug keeren. Gij 5, moogt niet, doi den glans van het purper be- „ drogen, onwetci blijven, welk een zwak lig- „ chaam daar omr verborgen is. Gij heerscht
„ over
(*) Episf. LI. p.. P97.
(I) PAUL. /. c. pYlU THEOD. /. c. Cap. i8.
}
^"0. 'f '^
-ï^^^^
■ ''^^-T
%-«
« « "# *
•* W (fe na- '}• Bfc^no
Wt dse ecka I fttti dsr boren ■ da openbaren Mor iuoRosius l )b Kd te g^ et wÉA, an: f, 6 Ka»! k I kfiaemii i kiod is, 200
iaWat\ide
n met de Nu*
li^ ei bouwval-
ur É n^ out'
I ta vmï Ij^
,, over
/
-wierp üiijj zicli im de Keriï op da órond. Txeaei:*.
'^ IX-ll. Bladz.gg.
G E S C II r E D E N I S. 99
5, over nienfchcn, 6 Keizer! die van dezelfde na- III ,, tuur met u, ja inve mededienstkiiccliteii zijn* "o*^'* ^, Want 'er is één Heer en Koning van allen , één Hoofdfl. „ Schepper van allen. INIet welke oogen wilt gij na C* G* 5, dan den Tempel des gemeenfchappelijken Heer ^^^^ ^^*
i,, aanzien ? Met welke voeten wilt gij die heilige
5, vloer betreden? Hoe wilt gij de handen iiitfte- 5, ken, die nog druipen van het bloed der onrecht- 5, vaardig vermoorden? Hoe wilt gij met zulke „ handen het hoogheilig ligchaam des Hceren aan- „ nemen? Hoe wilt gij het eerwaardig bloed aan 5, den mond brengen, gij die door ccne woedende 5, uitfpraak zoo veel bloed wederrechtelijk vergoten 5, hebt? Vertrek dan, en beproef het niet, de „ eerfte zonde met nieuwen te vermeerderen! Neem 5, de banden aan, welke God, de algemecne Be- ,, heerfchcr, van omhoog billijkt! Zij hebben ccne 5, genezende kracht, en herflellcn de gezondheid. „ weder. " tiieodosius beriep zich wel op da- viD, die ook groote zonden bedreven had, maai* AMBROSius antwoordde hem terflond: Zijt gij hem in zijne zonden nagevolgd, volg hem dan ook in zijne bckeering na! Thans onderwierp zich de Kei- zer aan alles; wat de Bisfclïop van hem cischtc. Even als de gemeenfiie Christen beleed hij van de Kerklijke Gemcenfchap zijner onderdaanen uitgeflo- ten te zijn j en fchuldig , om die door Kerklijke Boete weder te winnen. Met alle de eertekenen der hoogde waardigheid bekleed, wierp hij zich in de Kerk op den grond neder, beleed zijne zonden met traaneii, en bad om derzclver vergeving. \\'rvol-
G 2 gends
300 K E R K E L rj K E
III gcnJs oefende hij, onder voorbidding der Gemeente, KOEK j^ Kerl^eboete, die hem van ambrosius voor zelic- Hoofdil. 1'^" tijd opgelegd wns , op die wijze uit , dat hij m C. G. geheel van de Keizerlijke praclit ontbloot , even tot 0.76 ^^^^^'"'S ^^ godvruchtig als eenzaam in zijn palcis ■ leefde (*). Acht maanden waren dus verlopen,
toen
het
Kersfeest
in
het
jaar
390
op
handen
was
;
maar
de
bepaalde
tijd
van
boete
was
nog
niet
ver-
üreken.
Jn
dezen
(land
ontmoette
hem
rufinus
,
die
zijn
bijaonder
vertrouwen
genoot
,
en
hem
naar
de
reden
zijner
treurigheid
vraagde.
De
Keizer
gaf
hem
ten
antwoord
,
dat
niemand
,
dan
iiij